
"Het was een donkere en stormachtige nacht."
Je kent hem. Je haat hem. En toch — die zin is beroemd geworden. Niet omdat hij goed is, maar omdat hij alles samenvat wat een eerste zin níét moet zijn: vaag, cliché, en over het weer.
Maar wat moet een eerste zin dan wél?
De belofte
Een goede eerste zin is een belofte. Hij zegt: blijf bij me, het wordt interessant.
Niet door te schreeuwen. Niet door te shockeren. Maar door iets te openen wat de lezer wil sluiten.
Een vraag die beantwoord moet worden. Een situatie die niet klopt. Een stem die je wilt blijven horen.
Drie eerste zinnen die werken
- De mysterieuze: "De ochtend dat mijn moeder verdween, rook het huis naar verbrande toast."
Twee dingen tegelijk: iets groots (moeder verdwenen) en iets kleins (verbrande toast). Die combinatie wringt. Je wilt weten hoe ze samenhangen.
- De directe: "Ik had hem vermoord kunnen hebben."
Geen inleiding. Geen context. Midden in de actie. De lezer struikelt het verhaal in — en dat is precies de bedoeling.
- De stille: "Ze zat al drie uur naar dezelfde muur te kijken."
Geen drama. Maar iets klopt niet. Waarom drie uur? Waarom die muur? De lezer vult in, wordt medeplichtig.
Wat ze gemeen hebben
Elk van deze zinnen roept een vraag op die je niet zelf hebt gesteld. De schrijver plant hem in je hoofd. En nu moet je verder lezen.
De valkuil
Niet elke eerste zin hoeft een vuurwerk te zijn. Soms is rustig beginnen precies goed.
Het gevaar is: te hard proberen. Als je eerste zin ruikt naar "kijk mij eens origineel zijn", haakt de lezer af.
De beste eerste zinnen voelen moeiteloos. Alsof ze er altijd al waren.
De eerste zin is niet het begin van je verhaal. Het is de deur waar de lezer doorheen moet willen. 🚪