
Nooit eerder begreep ik wat die waterige ogen betekenden van mijn levensgezel, telkens hij Hildegard Knef of Marlène Dietrich hoorde zingen: Ich hab’ noch einen Koffer in Berlin. Dikwijls deed Peter zijn verhaal:
‘Ik was pas achttien toen ik met een groep Duitssprekenden uit de Belgische Ostkantons in Berlijn verbleef. De Muur stond er vijf jaar. Tijdens een bewogen bezoek aan Oost-Berlijn raakte ik aan de praat met Wolfgang, een leeftijdsgenoot. Vele jonge mannen werden verplicht bij de Vopo ingelijfd, de Volkspolizei, die aan de Muur de bewaking verzekerden, als opdracht hadden op alles te schieten en te melden wat hen verdacht leek.’
Op gevaar van zijn eigen leven, had Wolfgang hem in het grootste geheim toevertrouwd dat hij zich geen Oost-Duitser voelde. Hij vond het erg spijtig dat hij er op zijn dertiende niet in geslaagd was om met zijn familie tijdig naar het Westen te vluchten. Ze hadden adressen uitgewisseld en bleven jarenlang met elkaar corresponderen. Wolfgang schreef hoe moeilijk het leven was achter dat IJzeren Gordijn, dat hij niet anders kon dan zich schikken in zijn lot maar bleef dromen van de vrijheid.
Met de jaren verwaterde de contacten tot begin november 1989. “Wij rijden naar Berlijn”, zegt Peter. Hij heeft van Wolfgang een bericht gekregen dat er iets op til is. In de nacht van 9 november valt de Muur en staan wij aan checkpoint Charly. Hoe ze hebben afgesproken weet ik niet, ik vermoed dat het iets te maken heeft met deze plek.
“Hier hebben wij elkaar voor het eerst ontmoet”, verklaart hij. Peter steekt een bord in de lucht met zijn naam.
“Daar! Wolfgaaang!” krijst Peter en snelt naar iemand met een bord waarop de naam Wolfgang prijkt.
De twee mannen lopen als gekken en vliegen elkaar in de armen. Overal hoort men vreugdekreten, gelach en gehuil. Een man met een kind in een draagstoeltje op de rug hakt met een hamer en bijtel stukken uit de Muur, alsof hij zich een weg baant naar democratie en vrijheid. Een fotograaf vereeuwigt het beeld, dat later zal opduiken in de media.
“Wolfgang, Mensch.”
“Peter, Mann, endlich!”
Beide mannen blijven elkaar omhelzen. Het duurt eindeloos, misschien wel drieëntwintig minuten lang, één minuut voor elk jaar dat ze elkaar niet konden ontmoeten.
Op de grond liggen de twee borden met hun namen over elkaar.