
“Bent u hier voor het eerst?” vraagt de receptioniste van de fertiliteitskliniek.
Ik knik opgelaten.
“U heeft een dubbele afspraak?”
Ze bladert in haar agenda.
“Gaat u maar alvast zitten. Dan wordt u zo gehaald. Heeft u uw paspoort bij u? Dan maak ik alvast een kopie.”
Het eetcafé zat zo’n beetje halfvol. Ik was er gaan zitten maar nogal vroeg voor mijn afspraak.
Ik nam een eerste drankje, een watertje, wat sterkers zou wel volgen als de man met wie ik een interview zou hebben was gearriveerd.
De uitkomst van het gesprek moest bepalen of ik er uiteindelijk ook een hapje zou eten, dat kon nog alle kanten op. Afhankelijk was ik niet van de uitslag, het ging slechts om een simpel bijbaantje voor het betalen van de dagelijkse kosten naast mijn studie.
Ik was er gaan zitten en werd feitelijk vanaf het begin bekeken door twee vrouwen van dik in de dertig. Ze leken druk te overleggen en keken dan weer naar mij en dan weer naar elkaar.
“Bent u Robert-Jan……..” De man in de witte jas zoekt mijn achternaam op zijn formulier.
Ik knik en geef hem een nogal slappe hand.
“Ah! Loopt u dan maar met mij mee als u wilt.”
Ik volg de man naar een wereld die volstrekt onbekend voor mij is. Aan de muur hangen in roze en blauwe pastelkleuren grote foto’s van hele gelukkige jonge mannen en vrouwen, dat kun je zien aan hun blikken en de lach op hun gezicht. Ze worden in natuurachtige omgevingen omringd door baby’s, kleine kinderen en kinderwagens.
“Gaat u hier maar zitten. Ik pak even mijn papieren.”
Ik herkende na verloop van tijd één van de twee vrouwen. Het was mijn oud lerares wiskunde. Ze had mij les gegeven op het Gymnasium.
Mijn afspraak liet op zich wachten maar ik voelde mij niet geroepen de docente, als blijk van herkenning, een hand te gaan geven. Wel was ik wat minder op mijn gemak, de vrouwen spraken duidelijk over mij.
Het kon daarom ook niet lang duren, uiteindelijk stonden ze op en kwamen ze mijn kant op.
“Hee Robert-Jan” zei mijn oude lerares. “Wat leuk dat je hier ook zit. Hoe gaat het met je?”
Ik ontdooide wat en realiseerde me dat ik inmiddels vermoedelijk meer als volwassene werd gezien dan toen ik nog op de middelbare school zat.
“Het gaat goed, dank u” zei ik. “Ik studeer rechten, hier op de universiteit. Ik zit inmiddels in mijn tweede jaar.
“Wat goed!” Ze was duidelijk een soort van enthousiast.
Ze vroeg of ik op iemand zat te wachten.
“Ja, dat wel. Het is alleen maar voor een kort interview voor een bijbaantje. Ik wil graag wat gaan schrijven voor een krant.”
Ze knikte.
“Dit is mijn vriendin. Judith.”
“We moeten nog even wachten op de uitslag van het bloed- en urineonderzoek.”
De arts kijkt mij van over zijn brilletje aan.
“Na het meten van uw bloeddruk stel ik voor dat we alvast deze vragenlijst doornemen, dat moet toch ook gebeuren. Het gaat over uw medische conditie en mogelijk erfelijke aandoeningen die voor kunnen komen in uw familie.”
Ik knik dat ik het begrijp en hij begint aan een lange opsomming van ziektes.
“U mankeert helemaal niets,” zegt hij tenslotte. “Uw bloeddruk is prima. Het is aan alles goed te merken dat u pas twintig bent.”
Het resultaat van het bloed- en urineonderzoek liet nog op zich wachten. “Weet u eigenlijk wat er gebeurd bij Intra-uteriene inseminatie?” vraagt de arts om de tijd wat te doden.
Ik geef aan geen idee te hebben.
“Het betekent dat uw spermacellen via een dun slangetje in de baarmoeder worden gebracht. Dat gebeurt rond de eisprong. Dat is meestal ook het tijdstip dat we aan de donor-man vragen zijn sperma af te staan.”
Een assistente klopt aan de deur en overhandigt de arts een dossier.
“U bent zo gezond als een vis!” knikt de arts tot zijn voldoening.
“Uw bloedonderzoek is helemaal in orde. Uit uw urine is niets gebleken. Dan bent u bij mij klaar. U kunt zich weer melden in de wachtkamer.”
We stelden ons aan elkaar voor.
Ik wist niet dat de docente een vriendin had. Blijkbaar bleven dat soort dingen een beetje in het ongewisse tijdens je schoolperiode.
“Heb je ook al een vriendin?” vroeg ze.
Ik aarzelde hoever ik zou gaan, hoewel de docente haar kaarten ook duidelijk op tafel had gelegd en daar ogenschijnlijk geen moeite mee had.
“Ik heb eigenlijk een vriend. Rob.”
Ze reageerde enthousiast. “Nou zeg, een Rob! Robert-Jan en Rob!”
Ze lachte en boog zich wat naar voren.
“Eigenlijk vermoedde ik dat al een beetje, toen ik je lesgaf. Signalen die worden afgegeven, bewust en onbewust, liegen nooit.”
Ik hoopte dat ze niet zou beginnen over de jongen naast wie ik al die jaren in de schoolbanken had gezeten. Hij stond ook niet bekend als een vrouwenveroveraar en ik wist precies waarom.
“Studeert Rob ook?”
Ik knikte. “Hij gaat piloot worden. Daar is hij nu mee bezig.”
“Nou, dan gaan jullie een hele mooie toekomst tegemoet.”
Ze leek zich wat ongemakkelijk te voelen.
“Je afspraak laat een beetje op zich wachten.”
Ik knikte.
Ze haalde diep adem.
“Judith en ik zouden eigenlijk wat aan je willen vragen, maar niet hier zomaar in het openbaar. Het is iets waar we met z’n allen goed over moeten nadenken.”
Ik was verbaasd maar stemde in.
Ze was zichtbaar opgelucht dat ik instemde. We spraken voor de volgende week bij haar af. Dan kon ze gelijk eens haar huis laten zien, zei ze er nog bij.
We gingen goed uit elkaar.
Ditmaal komt er in de kliniek een vrouw van middelbare leeftijd naar mij toe om mij op te halen.
Ze heeft geen witte kleding aan maar een kittig broekpakje. Haar kamer is helemaal in jaren ’50 stijl ingericht.
“Wat aardig dat u dit allemaal wilt doen voor mevrouw Verdam” begint ze het gesprek.
“Het is een kleine moeite” zeg ik. Te laat realiseer ik me dat het zinnetje wat raar kan overkomen in deze situatie.
De vrouw stelt zich voor als de psychologe van de kliniek.
“Wilt u misschien een kopje koffie?” vraagt ze.
“Ik wil u graag wat beter leren kennen.”
Ik had Rob niets over mijn bezoekje aan de twee vrouwen gezegd omdat ik geen idee had waar het over ging. Rob was ook niet thuis op de avond dat we hadden afgesproken.
Ik ging alleen.
De vrouwen kwamen al gauw met hun voorstel.
Ze waren allebei aan de verkeerde kant van de dertig terecht gekomen. Ze waren bijna ingehaald door hun biologische klok.
Mijn oude docente wilde zwanger worden. Ze waren het daar over eens maar ze wilden tegelijkertijd geen kind van een onbekende. Ze benadrukten dat herhaaldelijk.
Ze zochten ook iemand die geen ambities had om vader te worden.
Bijvoorbeeld een man die een vriend had en sowieso liever weinig met vrouwen te maken wilde hebben.
Ze werden helemaal enthousiast en zagen het al helemaal voor zich. Ze wilden een dochter hebben, een keurig meisje met een paardenstaart. Het kwam er wat plompverloren uit maar uiteindelijk vroegen ze of ik er niets voor voelde om zaaddonor te worden.
“Alles wordt keurig geregeld, je hoeft je helemaal niet te bemoeien met de opvoeding. Misschien als ze een jaar of achttien is, dat dan kan worden bekeken of ze er behoefte aan heeft om je te leren kennen. Maar dat is ver weg.”
De vrouwen keken me enthousiast aan.
Ik was met twintig een vroege student, onervaren, bleu. Ik wist zo snel geen bezwaren te bedenken. Ik zag er ook geen kwaad in.
De psychologe lacht mij vriendelijk toe.
“Zal je leven erg veranderen, denk je? Als mevrouw Verdam zwanger is geworden?”
Ik had over die vraag nog niet nagedacht en aarzelde bij het antwoord.
“Ik denk het eigenlijk niet” zeg ik. “Het is vooral voor hen bedoeld. Ik denk niet dat ze willen dat ik mij er erg mee ga bemoeien.”
De vrouw knikt.
“Heb je vooraf er met iemand over gesproken, iemand anders dan de twee dames in kwestie. Misschien je eigen vriendin?”
Ik schud mijn hoofd en vraag me af wat ik zal zeggen. Of het antwoord op de één of andere wijze nadelig zou kunnen uitpakken.
“Ik heb geen vriendin. Ik heb een vriend.”
De psychologe kijkt mij glimlachend aan.
“Dat is helemaal niet erg. Ik vind het heel moedig dat je de stap wilt nemen. Ik stel wel voor dat jullie nog een hele goede donorovereenkomst opstellen. Dat is heel gebruikelijk. Eentje die juridisch bindend is en waardoor jullie geen onenigheid kunnen krijgen na verloop van tijd.”
Ze geeft me een brochure waarin staat wat er allemaal zou moeten worden geregeld.
“Mag ik je als laatste nog één vraag stellen?” vraagt ze tenslotte.
“Als mevrouw Verdam je over een aantal jaar zou bellen omdat één van de kinderen ernstig ziek is en je hulp nodig heeft... zou je dan komen?”
Ik raak wat in verwarring over de vraag.
“Je hoeft me geen antwoord te geven” lacht ze voordat ik wat kan uitbrengen.
“Je hoeft er alleen maar over na te denken.”
Ik had er met Rob over gesproken toen hij thuis kwam. We spraken het idee van de vrouwen door. Hij vroeg zich af of we er als twee mannen wel goed over konden nadenken. Of er geen dingen waren die je vooraf kon vergeten. Of we er niet van tevoren met anderen of deskundigen over moesten praten.
Ons gesprek viel stil omdat we niet wisten hoe we het moesten voeren.
“Feitelijk…,” zei ik langzaam, “komt het geloof ik alleen neer op het inleveren van je zaad bij een kliniek. Met de afspraken die de dames willen maken hoor je er daarna sowieso achttien jaar niets meer van. Die afspraken worden ook vastgelegd.”
Rob keek mij ongerust aan.
“Jij liever dan ik.”
“En je weet,” vervolgde ik, “ik heb niks met kinderen, ook niet met meisjes met een paardenstaarten.”
Ik kwam mijn afspraak na.
Er gingen zes maanden voorbij waarin ik niets meer vernam.
Dan word ik plotseling gebeld door een medisch maatschappelijk werkster. Ze wil mij heel graag eens spreken.
Ze kijkt me onderzoekend aan, als ik op het gewenste tijdstip de deur van haar kamer open doe en naar binnen ga.
“Dus jij bent Robert-Jan” constateert ze.
Ze geeft me een hand.
“Ik had je eigenlijk ouder verwacht. Aan de andere kant. Nu is mij gelijk ook veel duidelijk.”
Ze biedt me een stoel aan en vraagt of ik wat wil drinken.
Ze vraagt hoe de plannen tot stand waren gekomen die hebben geleid tot de zwangerschap van mijn oud docente.
Ik vertel haar wat ik weet en hoe het was gegaan in de fertiliteitskliniek.
Ze knikt en schuift een afdruk van de laatste echo naar me toe.
“Even over dat meisje met een paardenstaart, waar mevrouw Verdam en haar vriendin zo naar verlangden. Zoals je ziet, zijn er twee lichaampjes aanwezig. Allebei jongens, heb ik begrepen van mijn collega’s.”
Ik zwijg en ben wat overdonderd van de echo.
De vrouw zoekt mijn reactie maar gaat verder als die uitblijft.
“Een tweeling is een enorme aanslag op het leven van een jong gezin. Heel anders dan één kind. Alles komt in het teken van de opvoeding te staan. Je gaat moe naar bed en je staat weer moe op. Alles moet dubbel gebeuren, dat geldt voor het voeden van de kinderen, verschonen, het kopen van spullen. Heb je enig idee hoeveel werk dat met zich meebrengt?”
Ze zwijgt even.
“Volgens mij hebben jullie alle vier een heel verschillend beeld van wat donor zijn betekent. Dat baart me eerlijk gezegd een beetje zorgen.”
Haar reactie maakt het er voor mij niet gemakkelijker op.
“Hebben jullie al bijvoorbeeld afspraken gemaakt over hoe je als vader kan worden ingeschakeld bij het helpen van de opvoeding?”
“Wat?” vraag ik bedremmeld. Ik word helemaal koud van binnen.
Ik noem de donorovereenkomst die we nog moeten opstellen en de mondelinge afspraak dat er geen contact zou zijn tussen vader en kind tot het 18e levensjaar.
De medisch maatschappelijk werkster schudt haar hoofd.
"Ik heb niet de indruk dat je lichtzinnig bent. Wel heb ik de indruk dat je erg vertrouwt op mondelinge afspraken."
Ze wil van mij een antwoord dat ik niet wil geven.
“Je hebt het over een overeenkomst die nog zou moeten worden opgesteld. Maar een goed opgesteld donorcontract moet voor de zwangerschap zijn ondertekend. Nu dat achterwege is gebleven denk ik dat het verstandig is dat jullie hierover zo snel mogelijk juridisch advies inwinnen."
Ik knik en zeg dat ik zo snel mogelijk contact zal opnemen om samen een donorovereenkomst op te stellen.
“Ik hoop niet dat jullie te laat zijn. De situatie is juridisch nu zo dat, mocht het voor de rechter komen, hij kan beslissen dat je officieel verwekker bent geworden in plaats van donor. Dat heeft inzake ondersteuning en financiële verplichtingen aan de jongens verregaande consequenties.”
Ze kijkt me met enig medelijden aan en verandert van toon.
“Ik heb een zoon van jouw leeftijd. Ik denk dat ik redelijk in de gaten heb hoe jullie denkpatronen in elkaar zitten.”
Ze glimlacht om mij weer wat gerust te stellen.
“Afspraken over de opvoeding van een tweeling tussen weldenkende mensen, en dat zijn jullie, zijn altijd te maken. Wat niet is kan nog komen.”
Ze verwacht een antwoord maar ik ben nog te geschokt om te reageren.
“Dat jullie als aparte stellen niet bij elkaar kunnen wonen, kan ik begrijpen. Maar een goede huisvesting is voor de jongens essentieel.”
Ik wil niet geloven waar ze naar toe wil.
“Maar dit is helemaal niet onze bedoeling. Mijn vriend en ik studeren nog en moeten leren. We delen samen een studentenkamer. Als enigen in het studentenhuis hebben we een kleine bijkamer. Daar passen geen baby’s in. Wij weten ook niets van baby’s opvoeden.”
Ze draait zich naar mij om.
“Dat begrijp ik. Maar dat geldt eigenlijk voor iedereen die voor het eerst een baby krijgt.”
“Ik denk ook niet dat mijn vriend twee baby’s in huis wil hebben” reageer ik emotioneel.
“Dat begrijp ik echt wel. Jullie moeten hier ook goed over gaan overleggen.”
Ze verandert van onderwerp.
“Heb je een goede relatie met je ouders?”
“Mijn ouders?”
Ik had ze helemaal nog niet op de hoogte gebracht van de zwangerschap.
“Dat gaat wel” zei ik voorzichtig.
“Waar wonen ze?” vraagt de medisch maatschappelijk werkster vriendelijk.
Ik gaf haar hun adres in Amsterdam-Zuid.
“Oh, wat een prachtige buurt! Daar staan hele mooie huizen. Zouden zij misschien iets voor jullie kunnen betekenen? Je bent nog heel jong. Ik denk dat ze best begrip zullen hebben voor de situatie.”
“Ik kan toch niet weer thuis gaan wonen en mijn vriend alleen laten?”
Toen ik nog thuis woonde waren mijn ouders er nooit een groot voorstander van dat ik in hun huis het bed deelde met een andere jongen.
“Het is misschien maar voor een korte periode. Misschien vinden ze het heel mooi om opa en oma te kunnen zijn van twee kleinkinderen. Die ze, laten we eerlijk zijn, nooit zullen hebben verwacht.”
De informatie en de opties die op me afkwamen waren te overweldigend om zinnig te kunnen antwoorden.
“Wat studeert je vriend?”
“Hij wordt piloot.”
Ze knikt.
“Met jullie vooruitzichten hoop ik dat jullie daar samen goed uit kunnen komen. De twee jongens zullen later heel blij zijn met hun biologische vader. Het blijft voor kinderen altijd heel waardevol om hun ouders goed te kennen. Jullie keuze doet steeds meer opgang als een van de vormen van de moderne opvoeding.”
We nemen afscheid, niet zonder een afspraak te maken voor een vervolggesprek.
“Denk je dat er dan een opzet ligt voor alsnog een donorovereenkomst? En spreken we af dat je dan ook je vriend en je ouders hebt gesproken? Het is misschien helemaal geen slecht idee om je vriend mee te nemen. Twee weten meer dan één. En ik heb stoelen genoeg.”
Ik verliet het ziekenhuis vol ongeruste voorgevoelens.