‘We moeten even wat inhalen Jim, de achterstand begint wel erg op te lopen’. Zuchtend schuift onderzoeksrechter David Livingstone zijn dossiers bij elkaar in het tijdelijke gevangenenkamp in Xiamen, een stad in de Chinese provincie Fujian. Het zit er nog vol met deserteurs, overlopers, oorlogsmisdadigers en zwarthandelaren uit eigen geallieerde gelederen.
‘Ik denk niet dat we het gaan redden. Mijn doel was voor Kerst iedereen hier uitgeprocedeerd te hebben en dan weg te zijn. Ik ben bang dat we inmiddels op half 1946 moeten gaan rekenen.’
Kapitein James Albright schudt zijn hoofd.
‘Haastige spoed…Zal ik eens kijken welke dossiers u vandaag meeneemt?’ Oppervlakkig bekijkt hij snel de nummers en de namen. ‘Falco…Everton…Dit is misschien een aardige. De jongen van Cel 10. Gaat u even zitten.’
Albright slaat het blauwe dossier open. Een foto van een gevangene is aanwezig maar verder is het dossier bijna leeg.
‘Eén van de meest interessante zaken…. Als u nog even tijd heeft? De achtergrond van deze gedetineerde is buitengewoon raadselachtig. Hij is hier nu een week of drie. Zijn naam is Christopher Wright. Hij is afkomstig van het eiland Hainan toen het door de Japanners werd gebruikt als gevangenkamp. Geen Grand Palace Hotel in dit deel van China, enfin, ik hoef u niets uit te leggen. Hij zit hier vast voor 'collaboratie'.
Livingstone neemt het dossier over.
‘Er zit niet veel in.’
‘Dat is ook het interessante. We weten niks.’
‘En toch collaboratie?’
‘Toen de Chinezen Hainan hebben bevrijd vonden ze Wright naakt in bed. Niet in zijn eigen, maar in een bed in het officiers kwartier van zijn Japanse kampcommandant Ono. Vandaar collaboratie.’
‘Misschien een nogal overtrokken conclusie.’
Livingstone trekt aan beide kanten van zijn snor.
‘Wellicht.’
Albright aarzelt.
‘In het rapport van de Chinezen staat dat de eveneens aanwezige Ono dwars door zijn gezicht is geschoten en dat de weggeblazen hersenen voor een groot deel over Wright waren verspreid. Hij was als verlamd en zat onder het bloed.’
‘De jongen verleende misschien diensten. De kampcommandant was niet van steen en had een voorkeur voor hetzelfde geslacht. Daar stond hij niet alleen in. Misschien dat Wright wat extra te eten kreeg of dat hij geen dwangarbeid hoefde te verrichten. Toen de Chinezen naderden heeft hij Ono te grazen genomen.’
‘Nee. Toen de Chinezen Hainan binnenvielen hadden veel Japanners zich al teruggetrokken. Er is geen wapen gevonden in de slaapkamer. Iemand heeft een revolver tegen de slaap van Ono gezet en overgehaald. Wright lag op het moment van de aanslag achter hem. De Chinezen troffen deze situatie zo aan. En dat was erg jammer, ze hadden nog een appeltje met Ono te schillen en ze waren op zoek naar belangrijke informatie.’
Geïnteresseerd laat de onderzoeksrechter de foto van Wright door zijn handen gaan. Eigenlijk nog een jongen. Niet het gezicht van een misdadiger. ‘En wat maakt de zaak zo bijzonder?’
‘Valt u niet wat op aan het dossier? Behalve de Chinese bevindingen die door ons zijn vertaald? U weet dat de geallieerde troepen zich hergroeperen en zich melden bij hun dichtstbijzijnde eenheid. Vermeende criminelen, waaronder Wright, komen hier terecht. Er lag één militaire outfit in de kamer van Wright en Ono. Eentje van Engelse commando’s. Verondersteld werd dat het van Wright was, hij moet toch wat aan hebben gehad toen hij richting de slaapkamer ging. Wright is tot bloedens toe geslagen maar hij kon de Chinezen niet wijzer maken. Toen ze uiteindelijk maar aan de commando’s vroegen wie hij was, wisten ze dat niet. Hij was niet van hun compagnie. Hij leek bij niemand te horen. Hij sprak wel Engels. Maar hij wist niet zijn geboortedatum. Hij had geen plaatje meer met zijn gegevens. En dus kwam hij hier naar toe als gevangene. U ziet, hij is gewoon een blanke jongeman, met blonde haren en heldere blauwe ogen. En hij is hier nu even, maar ik heb zelden zo weinig last van iemand gehad. Hij zit rustig in zijn cel, neemt beleefd zijn maaltijden in ontvangst. Hij leest boeken uit de bibliotheek maar hij zegt niks. Als hij gaat luchten is hij op zichzelf. Twee keer dreigde een handgemeen omdat andere gedetineerden hem als homo beschouwen. Er is een medisch onderzoek geweest. En er zijn sporen van ernstig seksueel misbruik.’
Livingstone duwt gedachteloos zijn haar naar achteren.
‘Dan is hij misschien getraumatiseerd. Is het gek als ik nu gelijk eens met hem zou proberen te praten? Ik moet ook een beeld krijgen. Wellicht zit hij hier ten onrechte.
‘Dat lijkt mij geen slechte gedachte.’
‘Welkom in deze ontvangstruimte.’
De onderzoeksrechter geeft hem een ferme handdruk en neemt de jonge gedetineerde eens goed op. De kapper heeft zich bepaald niet ingehouden en zijn gevangeniskleding heeft betere tijden gekend. Niets aan hem verraadt een militaire achtergrond. Hij is meer gelaten, zijn schouders hangen losjes naar beneden. Deze jongen heeft nooit in het leger gezeten.
‘Ik hoop niet dat je misbruik maakt van de situatie dat ik je hier ongeboeid laat zitten. Er staan wel gewapende bewakers op de gang. Maar ik schat in dat ze niet hoeven te worden geroepen.’
Wright zwijgt. Livingstone laat zijn bureau voor wat het is en kiest een stoel naast hem.
‘Christopher, mijn naam is David Livingstone, ik ben onderzoeksrechter in de provincie Fujian waar deze gevangenis is gehuisvest. Je weet toch dat we in China zitten?’
Wright knikt.
‘Ik wil uitzoeken of het terecht is dat je hier zit. Er zijn hier veel gevangenen en je dossier viel mij op. Daar komen we zo aan toe. Ben je hier al een beetje gewend?’
‘Het gaat wel.’
‘Kun je het goed vinden met de andere gedetineerden als jullie worden gelucht?’
‘We praten niet zo heel veel met elkaar.’
Livingstone slaat het dossier open. De gevangenisfoto die achter een paperclip is aangehecht is slecht genomen en doet de jongen geen recht.
‘Het punt is, Christopher, dat we nogal weinig van je weten. Hopelijk kun je mij wat vertellen. Dan kan ik voor je aan de slag. Om te beginnen zie ik dat je geboortedatum niet bekend is.’
‘Geboortedatum?’
‘Ja, de datum dat je bent geboren.’
Ogenschijnlijk denkt de jongen langdurig na.
‘Ik weet het niet meer, sir.’
‘Weet je dan hoe oud je bent?’
Opnieuw een lange aarzeling.
‘Misschien dertig?’
‘Dertig? Ach jongen, zo oud ben je toch helemaal niet.’
Livingstone loopt naar zijn bureau en pakt de telefoon.
‘Ik krijg toch graag een notulist en een psychiater.’
Livingstone wendt zich weer tot Wright.
‘Ik laat toch maar gelijk alles optekenen. Daar gaan die twee mannen zich mee bezig houden als ze straks binnenkomen.’
Christopher gaat verzitten, hij heeft een knap gezicht maar het toont weinig emoties. Meer vragend, alsof hij de dingen opnieuw moet ontdekken.
‘Er staat hier dat je een Engelsman bent. Gezien je naam niet zo gek gedacht. Waar ben je geboren in Engeland? Waar wonen je ouders?’
Er volgt geen antwoord. De jongen lijkt er over na te denken maar komt er niet uit.
‘Ik weet niet zo zeker of je wel uit Groot-Brittannië komt', vervolgt Livingstone. ‘In je kamer in Hainan lag een pak van de Britse commando’s maar er was geen één Engelse militair die je kende. Je bent niet met ze opgetrokken. En wat erger is, het Engelse militaire gezag heeft aangegeven dat er geen soldaat met jouw naam is die wordt vermist.’
‘Ik heb niet met ze gesproken. Ik geloof dat ik dat niet mocht.’
‘Ben je wel een Brit? In Hainan zaten geallieerde militairen van verschillende landen. Ik ben een Amerikaan en ik ken al die Engelse dialecten niet. Maar als wij praten denk je lang na over wat er wordt gezegd. Je geeft korte antwoorden. En je spreekt wel Engels maar grammaticaal is het een beetje school-Engels. Het lijkt me niet je moedertaal.’
Dit gaat een moeilijk middagje worden schat Livingstone in. Moeizame antwoorden of helemaal geen. Het was alsof hij sprak met iemand die zijn antwoorden kwijt was geraakt. Over land van herkomst gaat hij ook niks zeggen. Toch is het geen onaardige jongen. Er lijkt geen opzet achter te zitten. Hij lijkt zelfs behoorlijk opgevoed.
’Je was met kampcommandant Ono in één kamer, voordat hij werd geëxecuteerd. Jullie hadden je kleren uit en werden bij elkaar in bed gevonden. Waarom had hij jou gekozen?’
De jongen denkt weer hard na.
Nieuwsgierig kijkt Livingstone hem met geduld aan.
‘…Misschien……misschien omdat hij mij leuk vond?’ aarzelt Christopher.
‘Leuk vond? En vond je hem ook leuk? Of kreeg je kadootjes van hem?’
De jongen schudt zijn hoofd.
‘Nee. Hij deed gewoon zo. Eigenlijk al die tijd.’
‘Sliep je bij andere soldaten in hun barak en kwam hij je dan halen? Of sliep je in een cel?’
‘Ik sliep nooit bij soldaten.’
‘Waar dan wel?’
‘Ik had een kamertje met een bed. En een radio’.
‘Een radio?’ Verbaasd steekt Livingstone zijn handen uit.
‘Geen enkele gevangene in Hainan heeft zelfs ooit maar een radio gezien!’
‘Ik mocht soms naar muziek luisteren, als ik aardig tegen hem was geweest’ vervolgt Christopher dromerig.
Livingstone bekijkt de jongen nog eens goed. Hoewel het van ver moet komen en de samenhang ontbreekt, geeft hij nu toch antwoorden prijs die meer impliceren dan hij vermoedt.
‘Er zijn in Hainan veel soldaten gestorven van honger, dorst en uitputting. Toen de Chinezen het kamp bevrijd hadden, waren de meeste mannen vel over been. Gratenpakhuizen werden ze in rapporten genoemd. De meesten moesten ter plekke eerst aansterken voor ze konden reizen. Jij ziet er niet mager uit. Gewoon. Ik geloof nooit dat je honger of dorst hebt geleden.’
‘Ik kreeg rijst met wat groenten.’
‘Elke dag?’
‘Soms met vis. Behalve als hij vond dat ik vervelend was.’
‘Wat moest je daar doen?’
‘De kamer van de commandant schoonmaken. Schoenen poetsen. Zoeken naar insecten. Als een emmer viel of als ik herrie maakte kreeg ik straf.’
‘Sloeg hij je wel eens?’
Christopher knikt. ‘Soms.’
‘Waar was je eigen kamertje?’
‘Die was er naast. Ik had geen deur. Het was zo groot als een’ aarzelt Christopher. Hij meet met zijn handen. ‘Inloopkast. Er hingen ook kleren in.’
Elke dag eten. Een eigen kamertje met een bed en een radio. Geen contacten met soldaten. En hij kent het woord inloopkast… Koortsachtig laat Livingstone elke mogelijke rol van de jongen in het Japanse leger voorbij komen.
‘Hoe lang heet je eigenlijk al Christopher Wright?’
De jonge gevangene reageert verbaasd. Voor het eerst leest Livingstone ook enige paniek in zijn ogen. Paniek over het antwoord op deze simpele vraag.
‘Ik weet eigenlijk wel genoeg Christopher. Ik heb nog een laatste dingetje. We hebben een foto van je met een kaal geschoren hoofd. Maar vroeger was je niet kaal. Wij hebben hier een kamer met tientallen pruiken, in allerlei maten en soorten. Lang haar, kort haar, krullen. Zullen we een pruik uitzoeken met het haar dat je had voordat je gevangen werd genomen? Toen je nog thuis woonde. Er zijn ook kleren waar je uit mag kiezen. We hebben een fotograaf die gaat dan een foto maken van hoe je er toen ongeveer uitzag. Het is een hele belangrijke foto dus ik hoop dat je een goede pruik kunt aanwijzen. Dan moet je hier nog even in cel 10 zitten. Maar ik kom later bij je terug, dat beloof ik.’
‘We hebben elkaar twee weken geleden gesproken, ken je me nog? Ik ga je daarom opnieuw een hand geven. Hopelijk gaat het goed?’
Christopher Wright knikt. Livingstone haalt een velletje papier uit zijn zak en zet zijn leesbril op.
‘Ayah kamu akan datang menjemput kamu tidak lama lagi.’
‘Ayah saya?’
Verrast over deze ontwikkeling loopt Livingstone naar de jongen toe en legt vertrouwelijk zijn arm over zijn schouder.
‘Ik had het niet durven hopen maar ik wilde kijken of je je de Maleise taal nog zou herinneren. Taal vergeet een mens als allerlaatste. Ik las het maar een beetje fonetisch voor. Je antwoord zegt mij helaas niks. Het spijt me’ lacht Livingstone.
‘Maar ik weet wel wat ik heb gezegd: ‘Binnenkort komt je vader je halen.’
‘Ga even zitten. Want ik heb je heel wat te vertellen. Ik moet toegeven dat het meeste uit de tweede hand komt, van andere krijgsgevangenen en getuigen. Maar ik denk dat we er grotendeels wel uit zijn. Ik ga je vanaf nu ook Maarten noemen. Want je heet Maarten Cromwijck en bent geboren op vijfentwintig november negentien vijfentwintig. Dus je bent net twintig jaar oud. Je vader is Willem Cromwijck en hij was resident van Borneo. Een hele hoge bestuursfunctie in Nederlands Indië. De Japanners zijn in januari 1942 in Borneo geland en hebben de strijd tegen de geallieerde troepen van Nederlanders, Amerikanen, Engelsen en Australiërs gewonnen.’
Belangstellend zoekt Livingstone na zijn openingswoorden naar een eerste reactie van de jongen maar zijn gezicht verraadt nog weinig.
‘Je vader kreeg huisarrest, maar je moeder, je zus en jijzelf kwamen in het interneringskamp Pontianak. Enkele maanden later werd je, als enige man, overgeplaatst naar een kamp, genaamd Batu Lintang. Dan komt kolonel Ono in zicht, die daar de baas was. Hij achterhaalt wie je bent en heeft een ongelofelijke hekel aan de heerschappij van de westerse koloniale machten. Je bent een welgestelde, blanke jongen van zeventien jaar, blauwe ogen en blonde haren. Zoon van de resident.’
Livingstone stopt even. Langzaam doet hij wat poedermelk en suiker in zijn koffie. Het theelepeltje tikt zachtjes tegen het kopje.
Maarten zit gebogen tegenover hem, zijn hoofd in zijn handen verborgen.
‘Waarschijnlijk kreeg Ono gelijk een oogje op je. Daarom twijfelde hij vermoedelijk geen moment toen hij kort na je komst naar Hainan werd overgeplaatst. Het lijkt er op dat hij je heeft meegenomen als zijn persoonlijke trofee. Een Japanse krijgsgevangene gaf toe dat hij met je pronkte. Ono vertelde iedereen dat je zijn huisslaaf was. Hij gaf je ook een Engelse naam om elk spoor naar je uit te wissen. Ono geeft je klusjes en hij wil seks met je.’
De onderzoeksrechter probeert bij Maarten een reactie uit te lokken. Maar de jongen geeft niet aan dat hij ook maar iets van de uitleg heeft herkend. Hij houdt nog steeds zijn handen lijdzaam voor zijn gezicht.
‘Ik heb gesproken met de psychiater die je hier heeft geobserveerd. Hij denkt dat je geest heeft besloten zichzelf buiten werking te stellen. Je bent alles vergeten, wie je bent. Zelfs je afkomst. Met één doel: te overleven. Je zit nog steeds in die mentale blokkade.’
‘Maar, Maarten,’ Livingstone staat op en legt zijn dossier op tafel, ‘de psychiater zegt ook dat je jezelf weer aan kunt zetten als je weer in je vertrouwde omgeving terecht komt. Dat je later ook kunt leren omgaan met de verschrikkingen die je in de oorlog hebt meegemaakt.’
Voor het eerst komt er weer beweging in Maarten. Hij gaat in ieder geval rechtop zitten en laat zijn handen naar beneden zakken.
‘We hebben alle ambassades en consulaten van de geallieerden je foto’s gegeven. Met je pruik en zonder. Bij het Nederlandse consulaat hadden we binnen een week succes.
Livingstone aarzelt even. Buiten klinkt nadrukkelijk de lokroep van een Blauwe Fluiter. Maarten luistert er ook naar.
‘Heb je deze vogels ook op Borneo?’ vraagt Livingstone belangstellend.
Maarten schudt, tot tevredenheid van de onderzoeksrechter, zijn hoofd.
‘Ik denk andere...’ zegt hij langzaam.
‘Heel goed….’ constateert Livingstone.
‘Je vader is al tijden naar je op zoek, jongen’ gaat hij vertederd verder. ‘Niemand wist waar je was gebleven. Iedereen dacht dat je, zoals zoveel Nederlanders, in één van de vele kampen zou zijn overleden. Maar je vader is blijven zoeken. Hij gaf de moed niet op. Toen hij hoorde dat je hier was aarzelde hij geen moment. Hij liet weten hier naar toe te komen maar hij is nog niet gearriveerd.’
Scherp kijkt Livingstone of Maarten nu dan iets van een positieve reactie laat zien. Iets waaruit blijkt dat hij begrijpt wat er gebeurd. Dat hij zich realiseert dat hij weer terugkeert naar een gezin. Dat het leven er voor hem anders uitziet. Maar Maarten reageert nog nauwelijks.
‘Ik zal een uitvoerig rapport voor je vader schrijven. Alles wat ik net heb gezegd komt er in. Je bent een vrije jongen. Je mag gaan en staan waar je wilt. Je hebt hier ten onrechte vastgezeten, je hebt niets misdaan. Voor je veiligheid mag je naar de officiersruimten als gast, tot je vader er is. Misschien wil je ons helpen versieren. Dan ben je net voor de Kerstdagen weer thuis. En ik denk dat je vader dan wel een extra kaarsje mag branden, denk je ook niet?’