Een man staat bij de hoge golven,
Zijn blik getuigt van grote dorst.
Hij wil in 't diepe water dolven,
Voor 't leed dat in zijn wezen torst.
In 't licht van deze blije dagen,
Een briesje speelt nu door haar haar.
Zij zien de man niet met zijn kragen,
Die staart naar 't water, dreigend zwaar.
Hij zoekt niet naar verborgen schatten,
Naar wat een ander pakken kan.
Maar wil het eindeloze vatten,
Het in zijn zakken stoppen dan.
Zijn moeder spreidt een kleed op 't duin,
Zij lacht als schuim haar enkels raakt.
De man droomt stil van louter puin,
Hoe hij de grote leegte kraakt.
Zijn vingers klauwen tot ze bloeden,
Het blauw lacht om zijn honger uit.
Terwijl de kind'ren eerlijk woeden
In 't nat, die onverwinb're buit.
Pa tilt een kleintje van de grond,
De moeder roept hen aan de kant.
Hij spuwt het water uit zijn mond,
Dat bitter smaakt in zijn verstand.
Hij blijft in waanzin verder razen,
Zijn nagels vol van wrede pijn.
De thuisreis is reeds afgeblazen,
Hij drinkt het mogelijk-kunnen-zijn.
---- poging tel de lettergrepen ---
Pa laadt de auto vol dozen,
Ma roept: 'Vergeet de handdoek niet!'
Vrolijk spel klinkt bij de rozen,
Hun blijdschap kent nog geen verdriet.
Ver weg staat een man bij golven
Zijn blik verraadt een diepe dorst.
Hij wil in het water dolven,
Het alles dat hij in zich torst.
Langs de kust rijdt hunne wagen
De wind waait door het blonde haar.
Niemand ziet mans zwarte kragen
Die staart naar water, dreigend zwaar.
Hij graaft niet naar schelpenschatten
Naar dat wat iemand pakken kan.
Met emmers het blauwe vatten
Oneindig veel in zakken dan.
Mama spreid het kleed op duinen
Lacht om golven, voet nat geraakt.
Onze dief droomt van verdwijnen,
Het onmogelijke gekraakt.
Vingers klauwen tot ze bloeden,
Het blauw lacht al zijn honger uit.
Kinderen die eerlijk woeden
In blauw als onneembare buit.
Pa tilt de kleintjes van de grond,
Moeder veegt het zout van haar kaak.
Bitter water spuwt door zijn mond
Zijn maag zo vol, maar zonder smaak.
Hij blijft graven en doorrazen.
Nagels vol modder, wrede pijn.
Familie thuis, afgeblazen,
Hij verdrinkt in mogelijk zijn.
--- POGING 1.0 ----
Vader laadt de auto vol met dozen,
Moeder roept: 'Vergeet de handdoek niet!'
Kinderen rennen tussen de rozen,
Hun blijdschap kent nog geen verdriet.
Ver weg staat een man bij de golven.
Zijn ogen vol van donkere dorst.
Hij wil in het water bedolven,
Het eindeloze in zijn borst.
Langs de kust rijdt de kleine wagen
De wind waait door hun blonde haar.
Niemand ziet de man met zwarte kragen
Die staart naar het water, dreigend en zwaar.
Langs de kust rijdt hun kleine wagen
De wind waait door hun blonde haar.
Niemand ziet de man met zwarte kragen
Die staart naar het water, dreigend en zwaar.
Hij graaft niet naar schelpen of schatten
Maar naar iets dat niemand kan pakken.
Met emmers wil hij het blauw vatten
Het oneindige in zakken.
De familie spreidt hun kleed op duinen
Lacht om golven die hun voeten raken.
Terwijl de dief droomt van verdwijnen,
En poogt het onmogelijke te kraken.
Zijn vingers klauwen tot ze bloeden,
Het blauw lacht zijn honger uit.
Kinderen die onbevangen woeden
Het blauw, een onneembare buit.
Vader tilt de kleintjes van de grond,
Moeder veegt het zout van kaken.
De dief spuwt bitter water uit zijn mond
Zijn maag vol van wat hij niet kan smaken.
Hij blijft graven in zijn razernij.
Nagels vol modder en pijn.
De familie rijdt naar huis, zij zijn vrij,
En hij verdrinkt in zijn onmogelijk zijn.