
Er was eens een stinkkabouter die heel erg stonk. Hij heette Wouter. Wouter rook meestal naar rotte vis, soms naar zweetvoeten en heel af en toe naar scheetjes. Wouter was er blij mee dat zijn geur zo sterk was en hij was er nog blijer mee dat hij zijn geur kon veranderen in wat hij maar wilde. Rotte vis was zijn lievelingsstank, maar ook aan de ergste stank kun je wennen en dan ruik je hem bijna niet meer. Daarom wisselde Wouter af met zweetvoeten en scheetjes en als hij dan weer naar rotte vis rook, prikkelde dat zijn neus alsof het de eerste keer was.
Wouter woonde in een grappig kabouterhuisje aan de rand van een magisch bos. Daar kreeg hij vaak visite, want Wouter was een held. Vooral stinkkabouterkinderen kwamen graag bij hem langs om hem nog een keer te horen vertellen over hoe hij een keer een lastige schoonmaakheks had verjaagd, alleen maar door zichzelf te zijn. Als Wouter dan nadeed hoe ze had gekeken toen ze hem rook en hoe ze steeds "Vies beest," had geroepen, lachten de kinderen tot ze buikpijn hadden. Wouter lachte hard mee.
Tegelijk was er een stinkkaboutertje dat helemaal niet stonk. Ze heette Andra. Andra was volkomen reukloos. Ze wilde graag zijn zoals Wouter, maar naar rotte vis stinken kon ze gewoon niet en zelfs als ze haar voeten een hele maand niet waste, kwam er nog niet het kleinste zweempje zweetvoetenlucht vrij. Om naar scheetjes te ruiken, moest ze scheetjes laten. Dat deed ze dus maar. Zo vaak mogelijk.
Andra woonde met haar ouders in een alleraardigst kabouterwoonbootje in het riet van een betoverd meer, niet ver van het huisje van Wouter. Soms ging ze samen met de andere stinkkabouterkinderen bij hem op visite. Ook zij moest altijd erg lachen als Wouter dan de heks nadeed, maar als ze daarna naar huis liep, voelde ze zich telkens een beetje verdrietig. Alle andere kinderen stonken namelijk wel en het is best moeilijk om anders te zijn, gek genoeg vooral als je kunt verbergen dat je anders bent.
Daarom ging Andra meestal niet mee. Ze speelde liever met de waternimfen in het riet. Die deden daar verstoppertje en tikkertje en hielpen de zwanen bij het bouwen van hun nest. De waternimfen kenden bovendien heel veel verhalen over heel veel verschillende wezens, in plaats van een verhaal over een heks.
Op een dag kwam er een draak naar het bos. Hij kwam zomaar aanvliegen vanuit de bergen en landde bovenop het oude huis van de schoonmaakheks. Dat stortte direct in, want draken zijn zwaar. Dieren stoven geschrokken alle kanten op. De nieuwe bewoonster van het huis kon net op tijd naar buiten vluchten. Zodra ze zag wat er op haar puinhoop zat, vloog ze er vandoor.
Draken hebben geen namen, want niemand wil ze roepen. Waar ze komen, gaat alles kapot. In hun binnenste smeult een vuur en als ze boos worden, laait dat op. Dan brullen ze en blazen ze woeste vlammen uit hun bek. De brand die daardoor ontstaat, kan alleen maar geblust worden met betoverd water. Zo zijn veel magische bossen verloren gegaan. Alleen heksen kunnen immers toveren en heksen helpen liever niet.
Dit was een grote draak. Hij vond het duidelijk niet leuk dat hij door het heksenhuis was gezakt. Bij elke uitademing kwam er een pluimpje rook uit zijn neusgaten.
De dieren waren doodsbang.
"Een draak," riepen ze. "Een draak in het bos! Help!"
"Een draak," krijste ook de nu dakloze heks. "Er is een draak in het bos! Wegwezen!"
En overal om hen heen stegen bezemstelen op, met daarop heksen die niet eens wilden proberen om het bos te redden. Vanuit het riet zagen Andra en de waternimfen ze vertrekken.
"Een draak," herhaalden de waternimfen. Ze keken geschrokken, maar klonken kalm. "Er is een draak in het bos. Luister goed!"
Dat deed Andra. Het was een spannend en griezelig, maar goed verhaal.
Ondertussen waren de dieren bij het kabouterhuisje van Wouter aangekomen. Ze wisten niet waar ze anders om hulp konden vragen. Wouter kwam al gauw naar buiten om te kijken waar toch al dat lawaai vandaan kwam.
"Er is een draak in het bos," zeiden de dieren nog maar een keer. En ze vervolgden: "Alle heksen zijn gevlucht en we weten niet wat we moeten doen. Kun jij hem niet wegjagen voor er brand uitbreekt?"
Wouter trok wit weg van angst. Hij wist hoe gevaarlijk vuurspuwende draken zijn. Het liefst zou hij ook zijn gevlucht, maar deze groep dieren had alle hoop op hem gevestigd en in zijn kamer zat een kleiner groepje kinderen dat hem als een held beschouwde. Hij kon niet niets doen. Daarom raapte hij al zijn moed bij elkaar.
Wouter stapte het bos in.
In het bos zat de draak nog steeds op de restanten van het heksenhuis chagrijnig te wezen. Hij rook Wouter onmiddellijk en de geur van rotte vis irriteerde hem enorm. Hij draaide woest zijn grote drakenkop in de richting van de stank. Zijn bek hing open. Wouter kon het vuur in zijn binnenste zien smeulen.
Van schrik ging Wouter naar zweetvoeten ruiken, maar hij liep dapper verder.
Als er een geur is die draken nog meer irriteert dan rotte vis, is het wel zweetvoeten. En als die zweetvoeten dan ook nog naar ze toe komen, worden ze helemaal kwaad.
"P-pardon meneer de draak," stotterde Wouter beleefd, want hij had niks beters verzonnen dan de draak namens alle dieren vriendelijk te vragen of hij alsjeblieft ergens anders heen wilde gaan. Maar van de zenuwen was de geur van Wouter per ongeluk veranderd van zweetvoeten in scheetjes en dat vinden draken toevallig de allerirritantste stank die er bestaat. Scheetjes maakt hen razend. De draak brulde een laaiende steekvlam op Wouter af.
Net voordat de steekvlam Wouter kon verschroeien, ging er een klein, kletsnat stinkkaboutertje tussen hem en de draak in staan.
"Andra!?"
Verbaasd zag Wouter hoe Andra het drakenvuur met haar lichaampje tegenhield. Een paar takken links en rechts van haar vatten wel vlam, maar Andra zelf had nergens last van.
"Gauw, naar het meer," zei ze. "Haal water om het bos te blussen. Ik zorg voor de draak."
"We hebben betoverd water nodig," jammerde Wouter. "Het hele bos brandt af!"
"Het meer is betoverd," riep Andra terug. "Ga!"
"Je bent te klein," protesteerde Wouter. "Dit is veel te gevaarlijk voor jou!"
"Het is te gevaarlijk voor jou," verbeterde Andra. "Als je mij mijn gang laat gaan, kan ik het hele bos redden! Maar dan moet je wel nu gaan! De draak komt op je stank af."
"Maar jij stinkt ook!"
"Ik ruik helemaal nergens naar!"
En met die woorden verdween Andra in het struikgewas. Nu moest Wouter wel maken dat hij weg kwam. De draak ademde al weer diep in om een nieuwe vlam zijn richting op te blazen. Hij rende zo snel zijn kabouterbeentjes hem konden dragen het bos uit, langs zijn huisje en naar het meer. Daar wachtten de waternimfen op hem.
Om te voorkomen dat hij achter Wouter aan zou gaan, leidde Andra de draak af door met een stokje tegen zijn staart te tikken. De draak draaide zich woedend om, maar Andra stond al niet meer achter hem. Ze tikte op zijn linker voorpoot. De draak brulde naar links. Een groepje bomen begon te branden, maar Andra was daar niet meer.
Doordat Andra zo vaak met de waternimfen verstoppetje en tikkertje gespeeld had, en ook doordat ze volkomen reukloos was, lukte het haar telkens om ongemerkt zo dicht bij de draak te komen, dat ze hem kon aantikken, en weer te verdwijnen zodra hij wist waar ze was. Hij werd er gek van. Ze tikte nog een keer op zijn staart, toen tegen zijn rechter achterpoot, toen weer op zijn staart en toen tegen zijn rechter voorpoot. De draak spuwde wild om zich heen. Er ontstond een cirkel van vuur rondom Andra en de draak.
Tenslotte tikte Andra op zijn snuit. Om daar bij te kunnen komen, was ze in een brandende boom geklommen. Ze hing in haar ondergoed met één arm aan een tak te bungelen. Onder haar andere arm droeg ze haar kleren, maar de draak was te boos en te opgejut om daarover na te denken. Hij zag alleen maar dat ze vanaf die tak onmogelijk snel ergens anders naartoe kon springen, voordat hij nog een keer zijn hete adem over haar uit zou blazen. Ze kon zich alleen maar laten vallen en ze hing te hoog om dat veilig te kunnen doen. Dit was zijn kans om haar te roosteren en als dat weer niet zou lukken, zou hij haar gewoon bijten. Hij sperde zijn bek daarvoor alvast ver open, terwijl hij door zijn neusgaten genoeg lucht naar binnen zoog om het vuur in zijn binnenste te laten loeien.
Razendsnel gooide Andra haar van betoverd meerwater doordrenkte jurk via zijn bek naar binnen. Er volgde een hoop gesis. In plaats van rook kwam er nu stoom uit de neusgaten van de draak.
Het vuur in zijn binnenste doofde.
En met het vuur doofde zijn woede. Zijn blik veranderde van boos in verbaasd in ronduit vriendelijk. Hij tilde Andra voorzichtig uit de boom en zette haar op de grond.
"Goh. Dank je," glimlachte Andra.
De draak glimlachte terug.
Toen zag hij in de verte Wouter en een groep stinkkabouterkinderen met emmers van kabouterformaat in de richting van het brandende bos rennen. Hij spreidde zijn vleugels, vloog naar boven het midden van het meer en dook er met wijd opengesperde bek in. De draak die weer boven kwam, leek te klotsen als een met water gevulde zak, maar hij vloog zonder enige moeite terug naar boven het bos. Daar stortte hij een hoosbui van betoverd meerwater uit zijn bek. Zijn drakenvuur had geen schijn van kans.
Wouter, de stinkkabouterkinderen en ook de dieren juichten. De waternimfen applaudisseerden trots. De draak maakte een sierlijke buiging.
Het bos was gered.
Vanaf dat moment waren er twee stinkkabouterhelden. De ene was Wouter, die heel erg stonk. De andere was Andra, die helemaal niet stonk. Ze waren heel verschillend, maar allebei even dapper en even geliefd.
De vriendelijk geworden draak bleef bij Andra. Ze noemde hem Gustav. Samen met de waternimfen bouwde Andra een groot, stevig nest voor Gustav in het riet van het betoverde meer. Daar speelden ze elke dag met hem. De stinkkabouterkinderen speelden vaak mee of ze luisterden naar de vele verhalen van de waternimfen.
Ook Wouter bleef nog jarenlang verhalen vertellen. Hij vertelde over hoe hij een keer een lastige schoonmaakheks had verjaagd, alleen maar door zichzelf te zijn. Maar hij had nu ook een tweede verhaal, dat hij misschien nog wel vaker vertelde. Dat was het verhaal van Andra, die het moeilijk had gevonden om zichzelf te zijn omdat ze anders was dan de andere stinkkabouters en die uiteindelijk, juist doordat ze anders was, een boze draak had weten te verslaan.
Toen ze groter werd, trok Andra de wijde wereld in. Ze was veel te avontuurlijk en te nieuwsgierig om voor altijd bij haar ouders in een woonbootje in het riet van een betoverd meer te blijven wonen, hoe alleraardigst het woonbootje ook was. Andra was iemand die verhalen maakte in plaats van ze te vertellen. Daarom vloog ze op de rug van Gustav weg, uitgezwaaid door alle stinkkabouters, alle dieren uit het bos en alle waternimfen uit het riet. De zwanen vlogen een stukje met haar mee.
En ze leefden allemaal nog lang en gelukkig.