
Hij legt zijn sleuteletui en de envelop op de keukentafel. Wit, het logo van het ziekenhuis linksboven, zijn naam in zwarte letters achter het venster.
In de keuken ruikt het naar koffie van vanmorgen. De kan staat nog op het aanrecht. Hij giet het restje in een mok en zet hem in de magnetron. Terwijl die zoemt, kijkt hij naar de envelop.
De magnetron piept drie keer.
De koffie laat een bittere smaak achter op zijn tong. Hij giet de mok leeg in de gootsteen en zet hem naast de kan. Hij vult de waterkoker en zet hem aan. De theezakjes in de trommel zitten door elkaar: kamille, munt, iets met citroen. Hij kiest zonder te kijken.
Als het water kookt, schenkt hij langzaam in. De stoom beslaat zijn bril. Hij zet de mok op tafel, naast de envelop en het sleuteletui.
Hij zou hem nu kunnen openen. Gewoon de rand lostrekken, het vel papier eruit halen. Twee zinnen misschien. Of drie.
Hij gaat zitten en blaast over de thee. De stoom kringelt over de envelop.
Buiten rijdt een vuilniswagen voorbij. Het gerammel van de afvalcontainers komt door het open raam naar binnen.
Hij kijkt op de klok boven het fornuis, staat op en spoelt de koffiekan om.
Dan hoort hij de sleutel in het slot. Ze komt binnen, zet haar tas op de stoel. ‘Druk geweest,’ zegt ze.
Ze ziet de envelop en loopt erheen. Haar hand blijft er even boven hangen.
‘Van het ziekenhuis?’
‘Vanmiddag gekomen.’
Ze trekt haar jas uit, hangt hem over de leuning van de stoel. ‘Heb je hem al gelezen?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Nog niet.’
‘Is er nog thee?’
Hij staat op, pakt een mok en schenkt het nog hete water in. Ook nu pakt hij ongezien een zakje uit de trommel.
Ze zitten aan tafel, de envelop tussen hen in. Het lepeltje waarmee ze roert, tikt tegen de rand van de mok.
In het web voor het raam trilt een gevangen gaasvlieg.
Ze schuift de envelop opzij. Haar hand blijft even liggen. Hij legt de zijne erop.