
Een klein kiertje heb ik maar nodig. Dan haak ik mijn nagels achter de rand en trek, zodat de kier een doorgang wordt. Ik duw met mijn kop en de doorgang wordt groter. Eenvoudig.
Soms lukt het om zelf een kier te maken. Ik spring hoog en sla mijn voorpoten om het harde, gladde, glimmende uitsteeksel. Mijn nagels krijgen geen grip, maar als ik krachtig klem, blijf ik lang genoeg hangen om het uitsteeksel te laten kantelen. Daardoor glijd ik eraf, maar dat is niet erg. Kanteling is waardoor de kier ontstaat. Die kan ik vervolgens, indien nodig, met mijn nagels groter maken.
Zoveel moeite neem ik natuurlijk niet als mijn wezen me kan zien.
Ik ben er nog steeds niet uit of hij kat is of niet. Hij heeft beslist katachtige eigenschappen, maar hij kan ook ontzettend dom zijn. Hij is groot en grotendeels onbehaard en hij loopt op zijn achterpoten. Er zijn er veel zoals hij, maar alleen van hem weet ik zeker dat hij me goed gezind is.
Als mijn wezen me kan zien, ga ik op korte afstand naar het glimmende uitsteeksel zitten staren. Als het te lang duurt voor hij in actie komt, gebruik ik mijn stem. Dat is hoe hij communiceert.
"Mauw!"
"Wil je er nou al weer uit?"
"Mauw!"
Nadat we zo onze vriendelijkheden hebben uitgewisseld, legt hij zijn kale voorpoot op het uitsteeksel en laat het kantelen.
Ik ruik door de kier.
Hm. Toch maar niet. Ik draai me om.
"Nah. Raar beest."
"Mauw! Prrrrrrrr."