Hoofdstuk 1: De man die regen verzamelde
In het uiterste noorden van de wereld lag een stad zonder naam.
Dat wil zeggen:
de stad hád ooit een naam gehad.
Niemand wist nog welke.
Zelfs de oudste bewoners niet.
Wanneer iemand naar de geschiedenis vroeg kregen ze steevast hetzelfde antwoord:
"Wij wonen hier al generaties lang."
"En zo is het altijd geweest."
Alsof er geen tijd vóór de stad had bestaan.
Alsof de wereld simpelweg op een ochtend wakker was geworden en besloten had dat deze plek er hoorde te zijn.
De stad lag tussen donkere heuvels en een eindeloze zee.
De huizen waren gebouwd van zwart gesteente dat glansde wanneer het regende.
En het regende vaak.
Heel vaak.
Sterker nog:
de bewoners gebruikten regen zoals andere mensen geld gebruikten.
Een lichte motregen was weinig waard.
Een korte zomerbui was kostbaar.
Onweer was een fortuin.
En sneeuw werd beschouwd als een ongelukje van de hemel.
Niemand buiten de stad geloofde het.
Maar dat kwam omdat bijna niemand de stad ooit wist te vinden.
Aan de rand van de stad woonde een jonge kaartmaker genaamd Elias.
Hij was vierentwintig.
Had donker haar.
Een eeuwig vlekje inkt op zijn linkerhand.
En een talent voor verdwalen.
Dat laatste was opmerkelijk.
Want Elias maakte kaarten.
Hij tekende iedere straat.
Iedere steeg.
Iedere brug.
Iedere trap.
Toch wist hij minstens drie keer per week ergens verkeerd uit te komen.
Zijn vrienden vonden dat hilarisch.
Elias zelf iets minder.
Op een regenachtige ochtend was Elias bezig een kaart van de Oude Haven af te maken.
Hij zat aan een houten bureau naast een raam dat nauwelijks nog doorzichtig was van ouderdom.
Op de vensterbank stonden tientallen glazen flessen.
Gevuld met regen.
Ieder voorzien van een etiket.
Lentebui
Korte storm boven de zee
Onweer uit het westen
Mistregen uit de heuvels
Zijn grootvader had hem geleerd dat iedere regen anders was.
Dat klonk als onzin.
Tot je leerde proeven.
Want regen uit het westen smaakte anders dan regen uit het oosten.
Onweer had een metaalachtige nasmaak.
Mistregen proefde naar steen.
En sommige zeldzame buien smaakten naar dingen die helemaal geen smaak zouden moeten hebben.
Zoals herinneringen.
Elias was net bezig een bocht in de havenstraat te tekenen toen iemand klopte.
Niet op de deur.
Op het raam.
Dat was vreemd.
Want zijn werkplaats bevond zich op de derde verdieping.
Hij keek op.
En liet onmiddellijk zijn pen vallen.
Buiten het raam zweefde een vogel.
Niet vliegend. Zwevend.
Alsof lucht en zwaartekracht even ruzie hadden gekregen.
De vogel was volledig wit.
Zijn ogen waren goudkleurig.
En in zijn bek droeg hij een opgerolde brief.
"Nee." zei Elias.
De vogel tikte opnieuw tegen het raam.
"Absoluut niet."
De vogel bleef kijken.
Elias sloot zijn ogen.
Telde tot drie.
Opende ze weer.
De vogel was er nog.
"Vervelend dier." mompelde hij.
Hij opende het raam.
De vogel liet onmiddellijk de brief vallen.
Draaide zich om.
Verdween tussen de regendruppels.
En was weg.
Elias staarde naar de brief.
Er rustte een zwart waszegel op.
Met daarop een symbool dat hij nog nooit eerder had gezien.
Een sleutel.
Omwikkeld door een boom.
Dat betekende één van twee dingen.
Of iemand maakte een bijzonder ingewikkelde grap.
Of iemand had hem gevonden.
Dat tweede zou onmogelijk moeten zijn.
Langzaam verbrak hij het zegel.
Vouwde het papier open.
En las.
________________________________________
Beste Elias,
Indien deze brief u bereikt, is de situatie ernstiger dan verwacht.
De Schaduwmarkt is verdwenen.
Drie poorten zijn gesloten.
De Wachters hebben hun positie verlaten.
En gisteren is er iets gebeurd wat in geen vierduizend jaar is gebeurd.
Een stad is haar schaduw kwijtgeraakt.
Indien u dit leest verzoeken wij u onmiddellijk naar het Westen te reizen.
Breng geen bagage mee.
Breng geen kaarten mee.
En volg onder geen enkele omstandigheid het licht in het bos.
Met hoogachting,
De Bibliotheek van Verlaten Dingen
________________________________________
Elias las de brief drie keer.
Toen een vierde keer.
Daarna draaide hij hem om.
Op de achterkant stond slechts één zin.
________________________________________
Uw broer leeft nog.
________________________________________
De wereld stopte.
Letterlijk.
Niet figuurlijk.
Niet alsof het zo voelde.
Echt.
De regen buiten bevroor in de lucht.
Druppels hingen stil voor het raam.
De pendule aan de muur stopte.
Het vuur in de haard verstarde.
Zelfs het stof dat door de ruimte zweefde kwam niet meer vooruit.
Elias voelde hoe zijn hart één slag oversloeg.
Want zijn broer was vijftien jaar geleden verdwenen.
En in deze stad kwamen verdwenen mensen nooit terug.
Nooit.
Buiten, tussen de stilhangende regendruppels, verscheen langzaam een tweede vogel.
Zwart deze keer.
Met ogen als gesmolten goud.
Hij keek Elias rechtstreeks aan.
En sprak met een stem die klonk alsof iemand bladeren over steen sleepte.
"Je hebt precies zeven dagen." De vogel kantelde zijn kop.
"Daarna is er niets meer om naar terug te keren."
En daarmee begon een reis die niemand ooit had gepland.
Een reis langs verdwenen steden.
Vergeten goden.
Bibliotheken die alleen verschenen tijdens eclipsen.
Bossen die hun bezoekers onthielden.
En een geheim dat diep genoeg begraven lag om de hele wereld uit elkaar te trekken.
Graag reacties en lees vooral ook hoofdstuk 2 :)