3 - De Herberg waar niemand in toeval geloofde
Het fluitdeuntje kwam van de tafel bij het haardvuur.
Niet hard.
Niet nadrukkelijk.
Alsof degene die het floot niet eens doorhad dat hij het deed.
Maar Elias kende het onmiddellijk.
Dat maakte het juist zo gevaarlijk.
Want herinneringen liegen.
Ze doen dat voortdurend.
Ze veranderen details.
Vervormen stemmen.
Verplaatsen gebeurtenissen.
Maar sommige dingen blijven.
Een geur.
Een lach.
Een melodie.
En het deuntje dat nu zacht door de herberg zweefde, was precies hetzelfde deuntje dat zijn broer vroeger floot wanneer hij iets verborgen hield.
Wat vrijwel altijd het geval was.
De herberg was warm.
Overvol.
En tegelijkertijd vreemd stil.
Niet stil in geluid.
Stil op een andere manier.
Alsof iedereen hier ooit iets belangrijks had verloren.
De gesprekken waren vriendelijk.
Het gelach echt.
Maar onder alles hing een soort moeheid.
Een gewicht.
Een geheim dat iedereen kende en niemand benoemde.
De slapende beer naast de open haard werd plotseling wakker.
Keek rond.
Gaapte.
En viel direct weer in slaap.
Niemand besteedde er aandacht aan.
Dat verontrustte Elias meer dan een slapende beer eigenlijk zou moeten doen.
Achter de bar stond een enorme vrouw met een rood gezicht en armen als boomstammen.
Ze poetste glazen met een doek die er nog ouder uitzag dan de herberg zelf.
Toen Elias binnenkwam keek ze kort op.
Niet verrast.
Niet nieuwsgierig.
Meer alsof ze hem al verwacht had.
"Kaartmaker," zei ze.
Elias knipperde.
"Hoe weet iedereen dat?" vroeg hij.
De vrouw wees naar zijn vingers.
"Je hebt inkt op je handen."
Daar had ze een punt.
Ze zette een mok op de bar.
"Ga zitten."
"Ik heb niets besteld."
"Klopt."
"Wat zit erin?"
"Geen soep."
Hij keek haar aan.
Zij keek terug.
Langzaam drong het tot hem door.
De boodschap op de stoel.
Eet de soep niet.
De vrouw grijnsde.
"Je broer liet die boodschap achter voordat hij vertrok."
De wereld leek ineens kleiner te worden.
"Miro was hier?"
De vrouw knikte.
"Vijftien jaar geleden."
Een pauze.
"Of vorige week."
"Ehm..."
"Hier is dat soms lastig te zeggen."
Dat hielp totaal niet.
De vrouw schoof de mok zijn kant op.
"Drink."
Voorzichtig rook Elias eraan.
Het rook naar regen.
Niet figuurlijk.
Letterlijk regen.
Hij proefde.
En onmiddellijk werd de werkplaats van zijn grootvader weer zichtbaar in zijn hoofd.
De houten vloer.
De kaarten.
De geur van nat papier.
De stem van zijn opa.
Hij verslikte zich bijna.
"Wat was dat?"
"Stormregen." antwoordde de vrouw.
"Van vierenvijftig jaar geleden."
Ze zei het alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Aan de tafel bij het haardvuur ging het fluitdeuntje verder.
Elias keek opnieuw die kant op.
De fluitende man zat alleen.
Kap diep over zijn gezicht.
Donkere jas.
Versleten laarzen.
Een halfvol glas voor zich.
Op tafel lag een schaakbord.
Maar de stukken bewogen vanzelf.
Dat was niet het vreemde deel.
Het vreemde deel was dat de man verloor.
Van zichzelf.
Zwart speelde.
Wit speelde.
En zwart was beter.
"Wie is dat?" vroeg Elias.
De herbergier keek op.
"Welke?"
Dat was nooit een goed teken.
"Die man."
"Oh."
Ze werd plotseling stil.
"Die wil je niet ontmoeten."
"Waarom niet?"
"Omdat hij altijd gelijk heeft."
Dat was een vreemd antwoord.
"Dat klinkt niet zo erg."
"Jawel." zei een oude man aan de bar.
"Dat is verschrikkelijk."
Iedereen leek het daarmee eens.
Zelfs de slapende beer maakte een instemmend geluid.
Elias besloot voorlopig geen vervolgvragen te stellen.
Aan de andere kant van de ruimte zat een vrouw met zilveren ogen.
Dezelfde die hij eerder had gezien.
Ze had geen eten.
Geen drinken.
Geen bagage.
Alleen een klein zwart boekje.
En terwijl de rest van de herberg praatte en lachte, keek zij naar hem.
Niet onvriendelijk.
Maar intens.
Alsof ze probeerde te herinneren waar ze hem eerder had gezien.
Dat was onmogelijk.
Elias was hier nog nooit geweest.
...toch?
Net toen hij weg wilde kijken stond de vrouw op.
Liep rechtstreeks op hem af.
En ging tegenover hem zitten.
Ze zei niets.
Elias ook niet.
Dat duurde ongeveer twintig seconden.
Toen zuchtte de vrouw.
"Je lijkt op hem."
Dat kwam binnen als een steen.
"Mijn broer?"
De vrouw knikte.
"Ja."
"Je kende hem?"
Opnieuw stilte.
Toen antwoordde ze:
"Nee."
Dat was niet het antwoord dat Elias verwacht had.
"Maar ik heb hem zien sterven."
De hele herberg werd stil.
Volledig stil.
De viool stopte.
De beer werd wakker.
Zelfs de schaakstukken op de tafel van de fluitende man stopten met bewegen.
De vrouw leek pas toen te beseffen wat ze gezegd had.
"Ah."
Ze keek naar het plafond.
"Dat had ik misschien anders moeten formuleren."
Elias voelde kou over zijn rug trekken.
"Wat bedoel je?"
De vrouw sloot haar ogen.
"Ik zag hem sterven."
"Maar dat betekent niet dat hij dood bleef."
Geen enkel deel van die zin maakte het beter.
En precies op dat moment gebeurde er iets bij het raam.
Buiten.
In de regen.
Een figuur liep langs de herberg.
Iedereen zag het.
Iedereen verstijfde.
De herbergier liet een glas vallen.
De fluitende man stopte.
De vrouw met zilveren ogen werd lijkbleek.
Zelfs de slapende beer stond langzaam op.
Buiten liep iemand door de regen.
Volledig gekleed in zwart.
Geen gezicht zichtbaar.
Geen ogen.
Geen kenmerken.
Alleen een lantaarn in zijn hand.
Een lantaarn die geen licht gaf.
Maar duisternis.
Waar hij liep werd het donkerder.
Niet nacht.
Niet schaduw.
Alsof hij stukjes werkelijkheid uit de wereld meenam.
Niemand bewoog.
Niemand sprak.
Tot de herbergier één woord fluisterde.
"Nee."
De figuur liep voorbij.
Verdween tussen de bomen.
En was weg.
Pas toen begon iedereen weer te ademen.
Elias keek rond.
"Wie was dat?"
Niemand antwoordde.
Tot de man bij het schaakbord opstond.
Langzaam.
Voor het eerst zag Elias zijn gezicht.
Oud.
Veel ouder dan normaal mogelijk was.
En zijn ogen...
waren volledig goud.
Hij keek Elias recht aan.
Toen zei hij:
"Dat, kaartmaker, is precies de reden dat jouw broer verdwenen is."
Ook hoofdstuk 4 is af, dan moet ik verder met schrijven dus kan het even duren voordat hoofdstuk 5 komt. Laat me vooral weten wat je van het verhaal vind!