
Elke pauze begon hij met dezelfde zin:
‘…en toen stak de reus zijn hand in de rivier.’
Niemand bewoog. Sommige kinderen zaten op de rand van de zandbak, anderen in het zand. Zelf zat hij op de tweede stang van het klimrek. Zijn knieën kwamen ver boven hun hoofden uit.
Niemand had afgesproken hier te zitten. Toch vormde zich elke pauze dezelfde kring.
Bas, die als laatste werd gekozen wanneer er teams werden gemaakt. Nora, die haar capuchon ophield, ook als de zon scheen. En Jens, die zijn boterhammen altijd te snel opat, zodat niemand ze kon afpakken.
Een voetbal stuiterde de zandbak in en bleef tegen een emmertje liggen.
Een jongen uit groep acht kwam hem halen. Hij zette twee stappen in het zand, keek op naar de verteller en bukte zich. Met de bal onder zijn arm liep hij achteruit weer weg.
‘En toen,’ zei de jongen op het klimrek, ‘voelde de reus iets bewegen onder zijn hand…’
Aan de rand van de zandbak bleef een meisje staan.
Eén pootje van haar bril was met doorzichtig plakband omwikkeld.
De jongen op het klimrek keek even naar Jens.
Die gaf een nauwelijks merkbaar knikje.
Jens schoof een stukje op.
‘Je hebt nog niets gemist,’ zei hij.
Ze ging zitten.
Een kwartier later klapten de leerkrachten in hun handen.
‘Nee…’ zei iemand.
Aan het eind van de laatste pauze voor de zomervakantie zei de jongen:
‘Na de vakantie verder.’
Zes weken later bleef de tweede stang van het klimrek leeg.
‘Mijn moeder zegt dat ze in de vakantie verhuisd zijn,’ zei Bas.
Niemand zei iets.
Jens liep naar het klimrek. Hij klom naar de tweede stang en keek de kring rond.
‘…en toen stak de reus zijn hand in de rivier,’ zei hij.