
DROOMLOOS
De reiziger bereikte de hoogvlakte toen de zon laag stond en de hemel glansde als koper. Zijn mantel was besmeurd met donkere vlekken. Voor hem lagen de zustersteden in rijen, vierkant naast vierkant. Hoge muren scheidden ze van elkaar. In elke muur stond slechts één poort die alleen toegang gaf tot een aangrenzende stad. Het geheel bestreek zijn hele gezichtsveld en leek op een immens dambord, uit steen gehouwen voor spelers die groter waren dan mensen.
De steden waren elkaars spiegelbeeld. Hun lanen liepen in dezelfde richting, hun pleinen hadden dezelfde maat, hun torens wierpen dezelfde langgerekte schaduwen. Toch leefde er maar één. Uit die ene stad steeg rook op uit ovens. Karren kletterden over keien. Kinderen zongen. Een marktkramer prees zijn waren aan met de vermoeid opgewekte stem van iemand die dat al duizend keer had gedaan.
De andere steden sliepen. Geen raam stond open, geen hond blafte, geen wiel kraakte over de straat. Ze lagen leeg en wachtend, alsof zij hun adem spaarden tot een klok hen weer zou wekken.
De reiziger daalde af naar de open poort van de levende stad. Toen hij binnentrad, keek een jongen met angst op naar de fonkeling van zijn zwaard. De reiziger wist niet waarom hij het wapen droeg. Het hing vergeten aan zijn zijde.
De stad rook naar brood, smidserook, nat touw en kruidige olie. Spijkerkoppen blonken in deuren. Een kat hield hem in de gaten vanaf een dakgoot. Bij een fontein leunde een waagmeester tegen de rand en knikte hem toe, alsof vreemdelingen met wapens er elke dag verschenen. De honger trok scherp door zijn buik, alsof hij maanden niet had gegeten.
In een herberg kreeg hij soep met bonen en tijm. Hij betaalde met een gouden munt. De waardin wees hem een kamer aan met uitzicht op een binnenhof. Beneden zat een kind op de keien. Het trok met krijt een cirkel, zette een punt in het midden en kraste er spaken doorheen. Daarna tikte het met de teen op één vak en fluisterde een woord dat de reiziger niet verstond.
Hij boog zich over de vensterbank. Het krijt vormde een rad. Op zijn borstplaat zag hij hetzelfde beschadigde patroon, gegraveerd in verkleurd metaal. Er stond een naam ingekrast… Cam…, te verweerd om te kunnen lezen. Hij streek erover met zijn duim. Er lag herinnering in de groeven, maar geen beeld dat wilde blijven.
Het kind keek omhoog. Even leek het hem te herkennen. Toen veegde het zijn handen af aan zijn broek en rende weg, de krijtcirkel achterlatend als een vraag.
Die avond bleef hij lang voor het raam staan. Uit de binnenhof kwamen stemmen opdwarrelen die weer doofden. Een vrouw schudde een vloerkleed uit, een knecht vulde een emmer. Ergens lachte iemand te hard en te kort. Alles bezat de vanzelfsprekendheid van een bestaan dat zich niet hoefde te bewijzen. Toch lag er onder de bedrijvigheid een luisterende spanning, alsof de stad zelf wist dat haar tijd geleend was.
De volgende ochtend was de stad wakker voor de zon haar eerste volle licht over de daken wierp. Doeken werden over kramen gespannen. Manden bogen onder fruit. Vlees werd gezouten in lage schalen. Een smid sloeg traag en precies op rood ijzer.
Op het marktplein zag hij de vrouw. Ze ving de zon in haar donkere haar. Haar mantel gleed even open en toonde de bleke lijn van hals en schouder, voordat zij hem tegen de wind sloot. Zij stond geen koopwaar te kiezen, maar luisterde naar iets dat niemand anders hoorde. Toen zij hem aankeek, had haar glimlach iets aarzelends, alsof zij wist dat hun ontmoeting al aan het verdwijnen was.
‘Je kijkt alsof je iemand zoekt,’ zei ze.
‘Maar volgens mij weet je niet meer wie.’
De zin viel zonder nadruk, maar sneed door de dag.
‘Blijf weg bij de kramen met gekleurde doosjes,’ fluisterde ze.
‘Wat je daar afgeeft, krijg je nooit terug.’
De reiziger wilde vragen wat zij bedoelde, maar de menigte schoof tussen hen in. Een visverkoopster tilde een mand op, twee kinderen holden lachend langs hem heen. Ergens viel een kruik om. Toen hij weer vrij zicht had, was de vrouw verdwenen tussen groenten, stof en zilverglans.
Hij vroeg naar de lege zustersteden. De bakker haalde zijn schouders op. De smid grijnsde. Een oude verkoopster van gedroogde vis maakte met haar hand een draaiende beweging, alsof zij een klok gelijkzette.
‘Ze slapen,’ zei ze.
‘Tot wij moe genoeg zijn.’
Later, bij een kraam met messen, hoorde hij meer. De stad leefde zolang haar mensen werk, handel, liefde en spel konden dragen. Wanneer de dagen zwaar werden en hun smaak verloren, trokken de bewoners verder. Dan werd een slapende stad geopend. Daar begonnen zij opnieuw, met een ander huis, een andere tafel, soms een nieuw beroep, soms een nieuwe naam. De oude stad bleef achter als een bed na een lange koortsdroom.
‘En komt men terug?’ vroeg de reiziger.
‘Het wiel draait,’ zei de messenverkoper.
‘Maar traag. Wachten kan jaren duren.’
Rond het middaguur trof hij een kraam die van een afstand op een goochelschouwspel leek. De eigenaar droeg witte handschoenen. Voor hem lagen kleine kartonnen doosjes in keurige rijen, rood, blauw, goud, groen en zwart. Elk doosje had een kaartje in fijn schrift. De man tilde een deksel op, liet de koper kort ruiken, sloot het weer en schoof het met twee vingers naar voren.
‘Verse herinneringen, rustige nachten, verloren geliefden,’ riep de verkoper.
‘Kijken kost niets.’
Mensen stonden dicht op elkaar, maar spraken zacht. Een oude man met een mager gezicht tikte tegen een doosje. Zijn vingers trilden.
‘De blauwe, zoals vorige keer,’ mompelde de oude man.
‘Daarin leeft mijn vrouw nog.’
De reiziger streek met zijn duim over de bleke afdruk rond zijn ringvinger. Zijn duim bleef er even rusten. Daarna liet hij zijn hand zakken.
De verkoper knikte uit gewoonte toen hij de bestelling aannam. Hij wikkelde het doosje in zijdepapier en bond er een dun lint omheen. Een jonge vrouw betaalde met drie dagen van haar leven. De verkoper noteerde ze zonder te vragen welke dagen zij kon missen. Een jongen bood een herinnering aan. De verkoper nam die aan zonder te vragen welke het was.
De reiziger voelde hoe de geuren uit de doosjes hem raakten. Hars, regen op warme steen, de warmte van een lichaam, gras na de zomer, een kamer waarin iemand op hem wachtte. Even wilde hij vragen of er een droom bestond waarin men wist wie men was. Zijn hand ging naar zijn buidel. Toen dacht hij aan de vrouw op het plein en wat ze had gezegd over het blindelings kopen van dromen. Hij stapte achteruit. De verkoper keek hem na met een glimlach die niets vroeg en niets vergat.
In een koele hof vond hij schaduw onder een laurierboom. Twee meisjes sprongen touw. Op de rand van de bank zat een jongen met wit haar. Hij wees naar de oostrand van de stad.
‘Daar ligt het domein van de Rijzende Dagster. Sommigen zitten er al sinds gisteren.’
Voorbij de laatste huizen opende de vlakte zich. Onder klapperende luifels stonden tafels met kaarten, dobbelstenen en kommen waarin balletjes draaiden. Mensen bogen zich over hun inzet met de blik van wie zijn eigen naam zoekt.
Een man wierp een dobbelsteen en won. Gejuich steeg op. Even leek hij jonger, groter, door de wereld herkend. Naast hem nam een bleke verliezer opnieuw een fiche.
‘Nog één keer,’ fluisterde hij.
Die woorden keerden overal terug. Kaarten flapperden, dobbelstenen stuiterden, munten schoven, adem stokte. Winst gloeide op als een vonk. Verlies doofde snel omdat de volgende ronde al beloften spon.
De reiziger bleef kijken. De winnaars telden hun munten nauwelijks. Ze keken vooral om zich heen, alsof iedereen eindelijk moest zien wie ze waren.
Toen hij terugkeerde naar de stad, trok vochtige wind door de straten. Wolken hadden zich boven de slapende steden verzameld. Katten verdwenen onder poorten. Vrouwen haalden wasgoed binnen. Mannen rolden vaten onder afdaken. Niemand rende, niemand schold. De beweging had de kalmte van een ritueel.
Onder het afdak van de herberg zag hij de vrouw opnieuw. Haar mantel zat strak om haar schouders. Zij keek naar de hemel en daarna naar zijn borstplaat. Haar blik bleef een tel op het rad rusten.
‘De storm komt vannacht,’ zei ze.
‘Iedereen maakt zich al klaar. Morgen halen we de huizen leeg. Daarna verlaten we de stad.’
‘Is storm hier gevaarlijk?’
Zij glimlachte.
‘Nee. Het is de klok.’
De eerste druppels vielen hard op de stenen. Daarna zakte de regen als een gordijn over de straten. Donder rolde langs muren, poorten en bogen. Elke slag leek van stad naar stad te springen, tot ook de lege vakken op het dambord antwoord gaven. Bliksem streek over het plateau. Het zwaard aan zijn zijde ving het licht, maar verraadde niets.
In bed luisterde hij naar de maat van de storm. Het was geen woede. Het was roeping. De natte wind sloeg stof uit spleten. Gutsende dakgoten spuwden water. Kinderen trokken hun dekens tot aan de kin. De stad ademde zwaar, alsof zij zich voorbereidde op iets wat iedereen kende behalve hij.
Nog voor de dageraad werd hij gewekt door gedruis. Karren kraakten, voetstappen vulden de straten. Hamers, schoppen, manden, lampen, dekens, potten en kleine meubels werden naar buiten gedragen. De regen was opgehouden. De lucht rook naar kalk, hout en aarde.
Beneden stond de krijtcirkel er nog, maar al half uitgewist. Het kind kwam terug, hurkte neer en trok de spaken opnieuw. Eén vak kreeg een dikke witte rand.
‘Wat gebeurt er vandaag?’ vroeg de reiziger.
Het kind lachte.
‘Vandaag zal deze stad moe zijn.’
Op het plein waren de droomdoosjes verdwenen. De kramen stonden leeg en stil, op enkele wapperende stukjes lint aan spijkers na. Het gokdomein aan de oostrand lag stil. De luifels waren neergehaald. Een verdwaalde dobbelsteen lag in het natte zand, nutteloos zonder hand.
Tegen de middag trok een stoet naar de noordpoort. De bewoners droegen bundels op de rug en kinderen op de heup. Ezels trokken karren. De bakker had zijn oven gedoofd. De smid duwde een handkar met hamers. De vrouw liep tussen twee families in. Toen zij hem zag, vertraagde ze.
‘Kom,’ zei hij, zonder te weten waarom hij haar uitnodigde.
Zij schudde het hoofd. Niet afwijzend, eerder verdrietig. Achter haar trokken kinderen aan moedersrokken, mannen duwden wagens voort, oude vrouwen droegen kooien met slapende vogels. Niemand keek lang naar hem. Hun aandacht lag al in de stad voorbij de poort, waar de dag onbeschreven wachtte.
‘Jij hoort niet bij onze tocht.’
‘Ik kan met jullie meegaan. Mijn bezittingen passen in één buidel.’
‘Nee,’ zei zij.
‘Je hebt dit al vaker geprobeerd.’
Haar blik ging naar het versleten rad op zijn borstplaat.
‘Jij bent wat blijft wanneer reizigers vertrekken.’
Hij wilde lachen, maar er kwam geen geluid. De poort ging open. Daarachter lag de wachtende zusterstad klaar. In haar straten liepen geen mensen, maar de luiken leken al te wachten op handen om ze te openen.
De optocht zette zich in beweging, eerst langzaam, daarna met vaste tred. De reiziger liep mee tot aan de poort. De eerste bewoners gingen erdoor. Hun stemmen veranderden van klank zodra zij de grens passeerden. Ze werden lichter en jonger. De nieuwe stad nam hun vermoeidheid van de schouders. Hij zette een voet op de drempel. Iets hield hem tegen.
Er was geen hand die hem vastgreep, geen muur die zich verhief. Toch kon hij niet verder. Zijn lichaam verstarde alsof het dambord een regel had uitgesproken. Hij probeerde opnieuw. Zijn knie boog niet. Zijn adem schoot hoog in zijn borst. De vrouw draaide zich aan de overzijde nog eenmaal om.
‘Kijk goed,’ zei ze.
Toen verdween zij tussen de anderen. De poort bleef open tot de laatste kar voorbij was. Daarna sloot zij vanzelf, traag en zwaar. Het geluid sloeg door de lege stad als een vonnis.
De reiziger bleef alleen achter. Eerst dacht hij aan een fout. Iemand moest hem vergeten zijn. Er zou een tweede poort opengaan, een achterpad verschijnen, een late kar komen. Hij liep naar de westelijke muur. Hij haastte zich naar de zuidelijke en daarna naar de oostelijke muur, maar overal vond hij steen en vergrendelde doorgangen waar geen stem meer woonde.
De stad veranderde niet. Dat maakte het erger. Broodgeur hing nog in de lucht. Op een tafel stond een kom die niemand had meegenomen. Een pop lag tegen een stoelpoot. In een steeg drupte water uit een goot. Alles leek pas verlaten, en juist daardoor ondraaglijk. Hij riep één keer, daarna nog een keer. Zijn stem werd niet beantwoord. Zij brak tegen gevels en kwam kleiner terug.
Hij keerde terug naar de markt. De plaats van de droomverkoper was leeg. Toch zag hij, tegen de voet van de kraam, een vergeten doosje liggen. Het was zwart, zonder kaartje of lint. Hij raapte het op. Het paste naadloos in zijn hand. Zijn vingers kenden de beweging voordat hij haar bedacht. Hij had eerder zo’n doosje geopend. De gedachte kwam niet zoals een herinnering, maar als pijn.
Hij zag een tafel bij kaarslicht. Tegenover hem rustte een smalle hand, met een ring om de vinger. Hij legde zijn hand over de hare, maar haar vingers trokken zich terug. Even later lag alleen de ring nog op het tafelblad. Achter haar verrezen hoge muren. Mensen spraken zijn naam uit, eerst met eerbied, later met medelijden.
Daarna verscheen de droomverkoper, achter een kraam die tegelijk op ieder plein leek te staan. Een doosje werd voor hem geopend. Een geur steeg op. Vergetelheid had toen vriendelijk geroken.
Hij had betaald, maar niet met zilver alleen. De lege straten begonnen te schuiven in zijn blik. De stad was geen stad die hij bezocht. Zij was de plaats waar hij was blijven hangen nadat de droom hem had opgeslokt. Telkens wanneer bewoners terugkeerden, had hun levendige aanwezigheid hem even gewekt. Dan liep hij tussen hen, at soep, keek naar kinderen, hoorde markten en dacht dat hij opnieuw was aangekomen. Telkens trok de cyclus verder. Telkens bleef hij achter.
Hij ging naar de herberg met de binnenhof. De krijtcirkel stond er nog, bleek in het namiddaglicht. Hij knielde en legde het zwarte doosje in het midden. Op zijn borstplaat glansde het gegraveerde rad. Nu herkende hij het. Het was geen versiering of wapen, maar een merkteken.
Zijn naam kwam terug als een roestige poort die eindelijk openging… Hij was Lamorak, heer Lamorak de Galis, schaduw van Cameliard. Hij was geen reiziger, maar een achterblijver, geen getuige, maar een gevangene. De zustersteden lagen als een dambord rond hem, en hij stond op het vak dat hij ooit zelf gekozen had toen hij een droom kocht om niet meer te hoeven weten wat hij had verloren.
De wind trok door de lege straten. Ver weg, achter de muren, leefde de volgende stad op. Er zouden ovens roken, kinderen zingen en geliefden elkaar vinden tot ook daar de vermoeidheid intrad. Hier bleef alleen het wiel van krijt, bijna uitgewist, maar nog zichtbaar genoeg.
Lamorak raakte het midden van de cirkel aan. Het krijtwit gaf af op zijn vingertoppen. Toen begreep hij waarom de droom hem telkens terugbracht. Hij sloot zijn hand om het krijt. Zijn vingers sloten zich tot een vuist. Hij kon het nog niet verdragen.
De stad zweeg. De slapende muren wachtten en Lamorak bleef in Cameliard, gevangen in een droom die hij ooit kocht met geroofd goud.