
‘Gelooft u?’
‘Wat?’
Mevrouw Knieriem draait aan het wieltje van haar hoorapparaat.
‘Gelooft u?’, herhaalt Simon zijn vraag.
‘Wat?’, vraagt mevrouw Knieriem nu korzelig.
‘Maak je vraag eens af, jongen. Wat moet ik geloven?’ Ze buigt een beetje naar voren en reikt naar het koffiekopje. ‘Dat het vandaag gaat regenen? In kabouters? Dat de aarde plat is?’
Haar trillende hand raakt de rand van het schoteltje. Simon duwt het iets meer in haar richting.
‘Is er voor u meer...’
‘Ik ken geen heer,’ valt ze hem in de rede. ‘Rotzakken zijn het. Allemaal.’ Ze knijpt haar ogen tot spleetjes, laat het kopje even los en balt haar vuist.
‘Ik hoef geen vent meer.’
Simon legt een hand op haar schouder.
‘Mevrouw Knieriem, ik bedoel: bent u religieus? Is er iets of iemand waarin u gelooft?’
‘Ik geloof nergens in. Sprookjes zijn het,’ schampert ze en zet de rolstoel van de rem. Dan duwt ze zich met haar handen van de tafel af en draait in Simons richting.
‘Als je wist wat ik gezien heb. Je bent te jong.’ Ze hapt even naar adem en wijst naar boven, ‘Daarboven is niets. Daaronder trouwens ook niet. De hel is hier.’
Simon schuift wat heen en weer op zijn stoel en plukt aan de rand van zijn schrijfblok.
Mevrouw Knieriem, grijpt weer naar haar koffiekopje en neemt een flinke slok. Er valt een druppel koffie op haar lichtblauwe blouse als ze het kopje weer terug naar de tafel brengt. Ze merkt het niet.
‘Drie kinderen had ik, en de vierde was op komst. Het stonk op die boot. En mama maar zeggen dat ik moest bidden. Nee jongen, wie gelooft is beroofd.’
Op de gang klinken voetstappen. Iemand op klompen.
‘Shh,’ sist mevrouw Knieriem. ‘Daar zul je hem hebben.’
Simon kijkt van haar naar de deur en weer terug. Ze zit ineengedoken en plukt aan haar blouse.
De klompen lopen verder.
‘Hoe laat is het?’ Ze draait aan het smalle gouden bandje van haar horloge. ‘Nu komt er niemand meer. Dadelijk komt mama thuis.’
Simon legt de schrijfblok op tafel en buigt naar haar toe. Hij brengt zijn gezicht vlak bij het hare. Met grote ogen kijkt ze hem aan.
‘Mevrouw Knieriem, wat bedoelde u met wie gelooft, is beroofd?’
‘Van zijn gezonde verstand, natuurlijk. Mama had geen verstand meer.’
‘Oh?’
'Te veel gebeden. Haar hersenen deden het niet meer.’ Mevrouw Knieriem maakt een draaiende beweging met haar wijsvinger langs haar slaap.
‘Mama huilde. Ze wou niet dat ik weg ging.’
Mevrouw Knieriem kijkt om zich heen en wijst naar het bed.
‘Pak mijn handtas eens.’
Simon neemt de handtas die aan het voeteneinde op het bed staat en geeft hem aan de oude dame. Ze rommelt wat in de tas en haalt er een gehavend pakje speelkaarten uit. Met haar stijve en kromme vingers probeert ze het pakje te openen. ‘The White Australian playingcards,’ leest Simon van het doosje af.
‘Die hebben een lange reis gemaakt.’
Ze knikt. ‘Ik ook.’
Ondertussen heeft ze de bovenste kaarten uit het doosje gehaald en schuift ze uit elkaar. Simon kijkt op zijn horloge.
‘Zullen we een andere keer een spelletje spelen? We gaan zo eten.’
‘Nee, nee, wacht. Hier verlies ik het niet.’ Ze tikt tegen de onderkant van het doosje.
‘Kijk, mijn moeder.’ Mevrouw Knieriem haalt een kleine vergeelde foto tussen de speelkaarten uit.
‘Mama wist het.’ Met tranen in de ogen kijkt Mevrouw Knieriem Simon aan.
‘Maar ze is toch mijn mama.’
Simon zwijgt en neemt haar handen in de zijne.
Later die dag schrijft hij in het dossier van mevrouw Knieriem: het geloof verloren.