De soep was te zout, maar hij zei er niets van. Hij hield zijn lepel trefzeker tussen zijn vingers, bracht hem naar zijn mond zonder te morsen, slikte, en keek naar de klok boven het dressoir. Kwart voor zeven. Buiten streek de Vlaamse regen grijs en zwaar langs de ruiten van hun halfvrijstaande woning in Kontich.
‘Zit er genoeg lavas in?’ vroeg Veerle. Ze zat tegenover hem, haar polsen dun en breekbaar boven haar diepe bord. Haar vingers plukten aan een papieren servet tot er een klein hoopje wit pluis op de eikenhouten tafel lag.
‘Precies goed,’ zei hij. Zijn stem klonk vlak, de vertrouwde bas die ze al vierentwintig jaar hoorde. ‘De prei is mooi zacht.’
‘Ik dacht dat ik te ver was gegaan met het zout.’
‘Nee.’
Hij keek naar haar schouders. Ze waren licht gebogen onder haar wollen vest, een vaalgroen ding dat ze droeg omdat de thermostaat van hem op negentien graden moest blijven. Onder dat vest droeg ze een linnen hemdje. Dat wist hij, want hij had het vanmorgen zelf op de strijkplank gelegd. Haar huid daaronder was zacht, een beetje slap geworden bij de flanken, met de fijne, zilveren striemen van twee zwangerschappen die al lang uit het huis waren gegroeid. De jongens woonden in Leuven en Gent; ze belden zelden op dinsdag.
‘Luc?’
‘Ja?’
‘Je bent zo stil.’
‘Ik denk aan de tuin,’ zei hij. ‘De buxus heeft weer last van de mot. We moeten spuiten voor het weekend.’
‘De buxus is al twee jaar dood, Luc.’
Hij zweeg, kauwde op een stukje brood dat te droog was, en knikte. ‘Dan moeten we hem uitgraven.’
Het tikken van de klok vulde de stilte die volgde. Het was een trage, mechanische tik die de avond in gelijke, onverbiddelijke stukken sneed. Veerle stond op, nam haar halfvolle bord mee naar het aanrecht en liet het water lopen. Het sissen van de straal tegen het roestvrij staal overstemde het tikken even.
‘Ik ga vanavond vroeg naar boven,’ zei ze, met haar rug naar hem toe. ‘Mijn hoofd bonkt. Het is de druk van het weer, denk ik.’
‘Neem een Dafalgan,’ zei hij.
‘Ja.’
‘En zet het raam op een kier. Voor de frisse lucht.’
‘Ja, Luc.’
Toen ze de trap op liep, kraakte de vierde trede. Dat deed hij altijd. Hij bleef aan tafel zitten tot de wijzer van de klok de zeven raakte. Daarna stond hij op, waste zijn eigen bord af met trage, methodische bewegingen, droogde het met de handdoek met het blauwe ruitpatroon en zette het in de kast. Alles op zijn vaste plek. De glazen achteraan, de borden vooraan.
Hij liep naar de gang, hing zijn schort aan het haakje en opende de deur naar zijn werkkamer. Het was een kleine kamer die rook naar oude mappen, boenwas en de filtertabak die hij tot vijf jaar geleden had gerookt. Op het bureau stond de computer. Een log, grijs ding dat hij destijds van de bank had mogen meenemen toen hij met brugpensioen ging.
Hij ging zitten, drukte op de knop en wachtte tot het scherm oplichtte. Het blauwe schijnsel viel op zijn gezicht, maakte zijn rimpels dieper, zijn wallen grauwer. Zijn vingers, die vroeger dikke dossiers hadden doorgebladerd, zweefden een seconde boven het toetsenbord voor ze begonnen te typen. Geen ingewikkelde handelingen. Gewoon de vertrouwde letters van het forum dat hij al achttien maanden bezocht.
Er was geen haast bij. De mannen daar waren zoals hij. Mannen uit Bornem, uit Waregem, uit Hasselt. Mannen met tuinen en hypotheken die bijna waren afbetaald. Mannen die hun auto’s zaterdags wasten met een spons en een emmer warm water met hoogglansshampoo.
Hij klikte op de map 'Nieuw'.
De camera lag in de bovenste la van zijn bureau, onder een stapel oude belastingaangiften. Een kleine, zwarte Canon die hij ooit had gekocht voor de geboorte van hun oudste zoon. Hij sloot het kabeltje aan. Het overzetten van de bestanden duurde altijd even; de computer was traag, de harde schijf pruttelde als een oud koffiezetapparaat.
Op het scherm verscheen de eerste foto.
Het was Veerle, gistermiddag. Ze had op de rand van het bed gezeten, haar benen over elkaar geslagen, terwijl ze haar teennagels lakte met die bleekroze lak die ze altijd bij Kruidvat kocht. Ze had niet geweten dat hij in de deuropening stond; hij had de camera dicht tegen zijn borst gehouden, de zoeker nauwelijks gebruikt. Haar buik plooide zich in drie zachte rollen boven de rand van haar slip. Haar borsten hingen een beetje, zwaar en warm in het middaglicht dat door de vitrage viel.
Hij bekeek de foto kritisch. De scherpte was goed. De belichting ook.
Hij typte een titel boven het nieuwe bericht: ‘Veerle, 52, na de middagwas. Wat vinden de heren?’
Hij klikte op uploaden. Binnen drie minuten kwamen de eerste reacties binnen. Hij ververste de pagina niet te snel; hij genoot van de vertraging.
‘Schone heupen voor haar leeftijd, Luc.’
‘Die van mij heeft meer putjes, gij hebt geluk.’
‘Toon de achterkant nog eens, die van de vorige week was goed.’
Luc las de woorden zonder dat zijn gezichtsspoor veranderde. Er was geen opwinding in zijn blik, geen schaamte, geen triomf. Het was administratie. Het was het registreren van het bezit dat hij had opgebouwd, het delen van de inventaris met andere filiaalmanagers van het leven. Hij typte een kort antwoord terug naar een gebruiker genaamd 'Boudewijn68': ‘Volgende week meer. Ze is moe vanavond.’
Hij sloot de browser, wiste de geschiedenis met drie gerichte klikken en zette de computer uit. Het blauwe licht verdween en liet de kamer achter in het doffe geel van de straatlantaarn buiten.
Hij liep naar boven. De vierde trede kraakte onder zijn linkervoet.
In de slaapkamer was het donker, op het smalle streepje licht na dat onder de badkamerdeur vandaan kwam. Veerle lag al in bed, haar rug naar zijn kant gekeerd. Haar ademhaling was diep en regelmatig, maar hij wist dat ze niet sliep. Haar schouders stonden te strak onder het laken.
Hij kleedde zich in het donker uit, legde zijn broek netjes over de stoel en stapte in bed. Het matras veerde licht mee.
‘Hebt ge de computer uitgezet?’ vroeg ze. Haar stem was hees, gedempt door het kussen.
‘Ja,’ zei hij.
‘Slaapwel dan.’
‘Slaapwel.’
Hij sloot zijn ogen, maar het beeld van het forum bleef achter zijn oogleden branden. Niet de foto’s, maar de cijfers. De teller die aangaf hoeveel mensen gekeken hadden. Honderdtweeëntwintig deze avond alleen al. Honderdtweeëntwintig man die wisten hoe de moedervlek net boven haar linkerbil eruitzag. Het gaf hem een vreemd gevoel van structuur, alsof het huis daardoor steviger in de grond stond.
De volgende ochtend was de regen gestopt, maar de lucht bleef de kleur van nat cement houden. Luc zat aan het ontbijt toen de postbode langskwam. Hij hoorde de metalen klep van de bus vallen en stond op om de brieven te halen. Twee facturen van de intercommunale en een dikke, witte envelop zonder afzender, geadresseerd aan 'De bewoners'.
Hij legde de facturen op het dressoir en nam de witte envelop mee naar de keuken. Veerle was bezig de koffiepot om te spoelen.
‘Wat is het?’ vroeg ze, zonder om te kijken.
‘Reclame, denk ik,’ zei hij. Hij scheurde de envelop open met zijn duim.
Er zat geen brief in. Alleen drie vellen glanzend fotopapier, afgedrukt op een high-end printer.
Luc keek naar het bovenste vel. Het was een foto van hemzelf.
Hij zat aan zijn bureau, het blauwe licht van de computer vol op zijn gezicht. Zijn mond stond een beetje open, zijn vingers rustten op het toetsenbord. Maar de foto was niet van voren genomen. Hij was genomen vanaf de zijkant, door het smalle spleetje van de gordijnen van het werkkamerraam dat altijd op een kier stond voor de ventilatie.
Hij draaide het blad snel om, zijn hartslag gaf een korte, scherpe steek in zijn keel.
De tweede foto toonde het computerscherm van die avond. Het was haarscherp. De letters ‘Veerle, 52, na de middagwas’ waren perfect leesbaar, net als de reacties van 'Boudewijn68' en de rest. De camera die deze foto had gemaakt, moest een krachtige zoomlens hebben gehad, opgesteld in de donkere steeg tussen hun huis en dat van de buren.
De derde foto was anders.
Het was geen foto van Luc, en ook geen foto van het scherm. Het was een foto van Veerle. Maar niet een die hij had gemaakt. Ze lag op hun bed, volledig naakt, haar armen boven haar hoofd gespreid, recht in de lens kijkend met een blik die hij in geen twintig jaar bij haar had gezien. Ze lachte. Een brede, harde lach die haar hele gezicht opende. De achtergrond was hun slaapkamer, maar de hoek was anders; de foto was genomen vanaf de drempel, met vol flitslicht, alsof de fotograaf midden in de kamer had gestaan terwijl Luc beneden de administratie deed.
Onderaan de derde foto stond met een zwarte viltstift geschreven: ‘Bedankt voor het delen, Luc. We vonden de ruilverhouding eerlijk.’
Luc voelde de kou uit de keukenvloer omhoogtrekken door zijn pantoffels. Zijn adem bleef steken in zijn luchtpijp, een droge prop die hij niet weg kon slikken. Hij keek naar de handtekening onder de tekst. Er stond geen naam, alleen een cijfer: 21.
‘Luc?’ Veerle zette de koffiepot op het aanrecht. Ze draaide zich om en veegde haar handen af aan een handdoek. ‘Wat is dat daar?’
Hij probeerde de papieren achter zijn rug te schuiven, maar zijn beweging was te traag, te houterig. Zijn vingers trilden zo hard dat het papier ritselde als droge bladeren.
‘Niets,’ zei hij. Zijn stem sloeg over, een dunne piep die hij zelf nauwelijks herkende. ‘Gewoon... een fout van de post.’
Veerle stapte op hem af. Ze liep niet met haar gebruikelijke, slepende gang, maar met een lichte, bijna verende tred die hij al heel lang niet meer bij haar had waargenomen. Ze stak haar hand uit. Haar nagels waren perfect gelakt. Bleekroze.
‘Laat eens zien,’ zei ze. Haar stem was niet boos. Ze klonk kalm, bijna zakelijk, alsof ze vroeg naar de stand van de spaarrekening.
‘Nee, Veerle, ga terug naar de keuken.’
‘Laat zien, Luc.’
Ze pakte de vellen uit zijn slap geworden vingers. Hij bood geen weerstand; de kracht was uit zijn armen weggestroomd, alsof iemand een stop uit zijn ellebogen had getrokken. Hij keek naar haar gezicht terwijl ze de foto’s bekeek.
Ze bekeek de eerste foto van hem aan de computer. Ze knikte een keer, heel kort.
Ze bekeek de tweede foto van het forum. Haar gezichtsuitdrukking veranderde niet. Geen traan, geen kreet, geen schok van afgrijzen. Ze keek ernaar alsof ze een handleiding las voor een nieuw huishoudelijk apparaat.
Toen kwam ze bij de derde foto. De foto van haarzelf op het bed.
Er viel een stilte in de keuken die zo zwaar was dat het plastic van de broodtrommel leek te kraken onder het gewicht ervan. Luc wachtte op de klap, op het gillen, op het moment dat ze het servies naar zijn hoofd zou gooien of de politie zou bellen. Hij zette zich schrap tegen het aanrecht, zijn knieën tegen de houten kastjes.
Veerle keek op van de foto. Ze keek hem recht in de ogen. Er lag geen verdriet in haar blik. Er lag iets anders. Een diepe, bevroren tevredenheid.
‘De belichting op die van hen is beter,’ zei ze zacht.
Luc staarde haar aan. Zijn mond ging open, maar er kwam geen geluid.
‘Wat... wat zegt ge?’ bracht hij er ten slotte uit.
‘Ik zeg dat de belichting beter is,’ herhaalde ze. Ze legde de drie vellen netjes op elkaar op de eikenhouten tafel, precies recht, parallel aan de rand van de placemat. ‘Die camera van u is te oud, Luc. Die flitser van hen heeft tenminste bereik. Dat zie je aan de schaduwen op de muur.’
‘Van... van hen?’ stamelde hij. ‘Wie is 'hen'?’
Veerle liep naar de koelkast, opende de deur en nam het pak melk eruit. Ze schonk een scheut in haar koffie, bekeek de kleur en zette het pak weer terug. Alles met diezelfde, ijzingwekkende precisie die hij altijd van haar had geëist.
‘De mannen van het platform, Luc,’ zei ze, terwijl ze met een klein lepeltje in haar mok roerde. Het tikken van het metaal tegen het porselein klonk als een stopwatch. ‘Denk je nu echt dat ik die vierentwintig platforms niet kende? Denk je dat ik de statistieken van de router niet kan lezen? Je hebt de computercursus van de KWB destijds samen met mij gevolgd. Alleen heb ik beter opgelet.’
Luc voelde de keuken om hem heen kantelen. De muren leken naar binnen te wijken, het plafond kwam omlaag. ‘Gij... gij wist het?’
‘Natuurlijk wist ik het,’ zei ze. Ze nam een slok van haar koffie, sloot haar ogen even en genoot ervan. ‘Je bent niet zo subtiel als je denkt, Luc. Je ademhaling verandert als je die kamer ingaat. Je begint te ruiken naar die vette zweetgeur van vroeger, toen je nog dossiers moest afsluiten voor de directie. Het is de geur van een man die denkt dat hij de controle heeft.’
‘Waarom...’ Hij moest zich vasthouden aan de stoelleuning om niet te vallen. ‘Waarom hebt ge niets gezegd? Waarom hebt ge mij dat laten doen?’
Veerle zette haar mok neer. Ze keek naar de klok. Kwart over acht. De postbode was al aan het einde van de straat.
‘Omdat het handig was,’ zei ze simpelweg. ‘Je gaf me eindelijk weer aandacht. Je keek naar me. Zelfs als het door een lens was, keek je. Je controleerde of mijn vel nog strak genoeg zat voor je vrienden uit Waregem. En ondertussen hoefde ik niet meer met jou te praten over de buxusmot of over de intercommunale.’
‘En die foto?’ Luc wees met een trillende vinger naar het onderste blad op de stapel. ‘Die foto op ons bed? Wie heeft die gemaakt?’
Veerle glimlachte. Het was een kleine, scherpe glimlach die haar lippen dun maakte. ‘Dat was nummer eenentwintig, Luc. Je hebt gisteravond zelf geschreven naar Boudewijn dat ik moe was, weet je nog? Je zei dat ik vroeg naar boven ging. Je hebt het raam op een kier gezet. Voor de frisse lucht, zei je.’
Luc voelde een ijskoude golf van misselijkheid in zijn maag opkomen. ‘Boudewijn?’
‘Boudewijn woont in de Dahlialaan, drie straten verderop,’ zei ze rustig. ‘Hij heeft een heel mooie tuin. Geen last van de mot. Hij gebruikt biologische middelen. Hij heeft me gisteravond geholpen met de lak op mijn teennagels. De kleur was niet helemaal goed, vond hij. Te bleek.’
‘Gij... gij hebt hem binnengelaten?’
‘Hij had de sleutel die onder de bloempot bij de achterdeur ligt,’ zei ze. ‘Die sleutel die jij daar tien jaar geleden hebt gelegd voor het geval dat we onszelf zouden buitensluiten. Hij wist precies waar hij lag. Omdat je dat een keer op het forum hebt gezet, in een privédocument met de routebeschrijving voor de 'echte liefhebbers'.’
Luc zakte op een stoel. De papieren lagen vlak voor hem. De foto van zijn eigen gezicht, gevangen in het blauwe licht, keek hem aan met een uitdrukking van totale, achterlijke onwetendheid.
‘Je bent een goede administrateur, Luc,’ zei Veerle. Ze pakte haar tas van de stoel naast de deur en hing hem over haar schouder. ‘Maar je bent vergeten dat een inventaris pas waarde krijgt als je hem gebruikt. Boudewijn en de anderen hebben besloten dat het platform vanaf vandaag gratis is. We hebben de tussenpersoon niet meer nodig.’
Ze liep naar de gang. De voordeur klikte open. Buiten begon het weer te zachtjes te regenen, een fijne mist die over de oprit trok.
‘De soep staat nog in de koelkast,’ riep ze vanuit de gang. ‘Er moet nog wat zout bij. Dat vind je lekkerder, toch?’
De deur viel in het slot. Het geluid was kort, droog en definitief.
Luc bleef alleen achter in de keuken. Het tikken van de klok boven het dressoir nam de ruimte weer over, regelmatiger en luider dan voorheen. Hij keek naar de foto van zijn vrouw, die daar lag op hun bed, stralend en onbereikbaar, gedeeld met twintig platforms en de hele Dahlialaan.
Hij stak zijn hand uit om de papieren op te ruimen, maar zijn vingers weigerden te bewegen. Ze bleven slap op de eikenhouten tafel liggen, precies parallel aan de rand.