
De zon scheen toen ik aankwam. Dat vond ik wel een goed begin.
Ik had een kamer op de derde verdieping, met uitzicht op zee. Nou ja, als je genoeg naar links over het balkon leunde. Recht vooruit keek je tegen het appartementencomplex in aanbouw aan.
Ik kocht drie ansichtkaarten bij de receptie. Mijn vrouw kocht er altijd te veel.
Op de eerste stonden drie meisjes in badpak, met een rood-witte strandbal tussen hen in.
De zon is heerlijk. Ik zit vlak bij zee. Hoe gaat het eigenlijk met jou?
Ik zette er geen kus onder.
De volgende ochtend miezerde het.
Ik liep toch naar het strand. Er waren weinig mensen. Een man in een geel zeiljack liet zijn hond uit. Verderop stond een strandtent die gesloten was.
Ik dronk koffie bij een hotel aan de boulevard en schreef Eva opnieuw.
Vandaag wat minder weer. Maar dat geeft ook wel rust. Ik lees veel. Je zou dit hier ook wel prettig vinden. Hoe gaat het eigenlijk met jou?
Ik schreef niet dat ik mijn boek al drie dagen niet had opengeslagen.
De kaart ging dezelfde middag op de bus.
Op woensdag scheen de zon weer. Ik huurde een stoel bij een strandpaviljoen. De jongen die hem bracht, herkende me inmiddels.
‘Weer dezelfde?’
‘Doe maar.’
Hij zette de stoel neer.
‘Nog iets nodig?’
‘Nee.’
Ik keek naar de zee.
In de hotelkamer op de derde verdieping lag Eva’s brief op tafel. Ik had hem meegenomen zonder hem open te maken. Hij lag er al sinds maandag.
Terug in mijn kamer sneed ik hem open. Er stond niet veel in. De laatste regel las ik een paar keer. Ik legde de brief terug op tafel.
In mijn koffer zat nog een envelop. Daar stond Eva’s naam op.
Op vrijdag kocht ik een nieuwe kaart. Op de voorkant stond een vuurtoren bij zonsondergang. De lucht was oranje en paars.
Ik schreef:
Vanavond mooie wandeling gemaakt. Het is hier heerlijk rustig. Ik denk dat ik zondag naar huis kom.
Ik keek naar de regels. Daarna schreef ik eronder:
Als jij dat wilt.
Ik twijfelde over dat laatste, maar liet het toch staan.
Op zaterdag liep ik naar het station. Ik kwam tot aan de kaartjesautomaat en ging daarna weer terug.
In het hotel lag de brief nog op tafel. Ik pakte hem op en las die ene regel onderaan nog een keer.
Daarna liep ik naar beneden. Bij de receptie vroeg ik of ze nog ansichtkaarten hadden.
‘Nog drie,’ zei de vrouw.
Ik nam ze alle drie.
Buiten waaide het hard. De vlaggen bij de strandtenten klapten tegen hun masten.
Op een bankje bekeek ik de kaarten. Ik koos die met een man en een meisje bij een zandkasteel.
De dagelijkse wandelingen doen me goed. De zon, de zeelucht… heerlijk. Hoe gaat het eigenlijk met jou?
Terwijl ik naar die laatste woorden keek, dacht ik aan de envelop in mijn koffer.
Ik schreef eronder:
Ik heb iets van mama voor je.
Daarna bleef ik zitten.
De zee was een tint lichter geworden.