Inhoudswaarschuwing
Dit verhaal is leuker met kennis van bepaalde termen rondom machine learning. Ik heb een aantal quotes in de commentaren gezet met toelichtingen. Je kunt deze eventueel al aanzetten vooraf aan het lezen.
's Ochtends plukken, 's middags bij het zwembad lanterfanten, 's avonds netflixen. Zo waren mijn zomers. Dacht ik.
Mijn vrienden geloven nog steeds dat ik bij de boer werk, terwijl mijn korte broek en kapotte sportschoenen niets meer dan een camouflage zijn. Voor het kraaien van de haan fiets ik over de polderweg, dwars door de stank van zurig hooi en koeienvlaai. De platte vlakte ligt open als een computer-chip: windmolens rijzen op in strakke patronen, zonnepanelen glinsteren in de zon als dode pixels in het gras.
Dit jaar is er iets verschoven.
Ik fiets voorbij aan de paprikakassen, waar het glas de natuur uitsluit. Mijn eindbestemming het VVDM-gebouw – een raamloos zwarte kubis die hoog uitsteekt boven de horizon. Bovenop de gevel branden in neon de namen: Vincent, Vera, Daan en Marten. Die Marten heb ik nooit gezien, maar zijn naam ademt door elke kier van het gebouw. Deze maand ga ik hem vinden, al moet ik het gebouw afbreken. Een oprichter die zich nooit laat zien, dat klopt niet.
Mijn dag begint zoals gewoonlijk met kantinekoffie – een bittere gewoonte in een slap plastic bekertje. Vera zit op de bank in de hoek. Ze vijlt haar nagels met mechanische precisie, exact op het tikken van de klok, elke haal precies even lang. Mijn blik blijft haken bij de print op haar shirt – een alien rijdt juichend op de marsrover terwijl de Amerikaanse vlag in pixelvlammen vergaat. Ze kijkt er zelf ook naar en glimlacht. Dan knijpt ze haar ogen kort samen – het rechteroog net een fractie later. Dat kleine verschil lijkt ook haar zelf te verrassen. Ze fronst even, herstelt en zet haar glimlach weer op. Ze zegt niets, maar haar blik houdt me vast.
Daan zit aan tafel verdiept in een vergeelde Olivier B. Bommel – volgens hem het enige beetje wereldliteratuur uit de polderklei. Naast hem ligt een notieblok vol krabbels. Hallucinaties over vreemde werelden, fantasieën en dingen die niet zijn. Hij houdt van absurd, en ik begrijp dat niet. Soms, denk ik dat ik hem zou willen zijn, dat we plekje wisselen, maar kan ik hem wel mijn saaie leven aandoen? Tegelijkertijd, vraag ik me ook af of het echt iets uitmaakt wanneer je van plek wisselt. Zou je dat dan wel door hebben?
Vincent, het brein achter deze waanzin, rookt een jonko en bladert door de ai-narchistische courant. Het liefste zou hij alle robots van de aarde vegen, maar bij gebrek aan revolutie bouwde hij er hij met ons samen zelf maar één. Nou ja, niet wijzelf. Wij vroegen een ai om een ai te ontwerpen, en dat is het gebouw waarin wij nu zitten.
Vincent en Daan beginnen hun dagelijkse duel: wie is de grootste filosoof, Nietzsche of Sartre? Of misschien andersom: wie van de twee het meest zinloos was. Zo vroeg in de ochtend galmen de stemmen nog vaag in mijn hoofd. Normaal drink ik twee koffies voordat de wereld draait, maar nu voel ik al na een paar slokken de drukkende stress bij Vincent. Onrustig tikt hij de as van zijn peuk en slaat met zijn krant op de tafel.
‘Het denken staat stil,’ snauwt hij tegen de lucht. ‘De ReLu ruimte moet groter. We hebben verse input nodig.’
Ik kijk even op, maar duik weer snel terug in mijn koffie. De ReLu ruimte is voor mij verboden terrein. Ik weet alleen dat daar gefilterd wordt. Ze scoren er de verhalen. En alles dat niet nuttig is wordt genadeloos op nul gezet.
VVDM draait op verhalen, niet om gelezen te worden, maar om te worden verteerd. Het was Daans idee. Hij verzon een oogstsysteem van velden vol met verhalenwedstrijden. Daarom fiets ik elke ochtend vermomd door de polder. Niemand mag weten wat er werkelijk achter de wedstrijden schuilt.
’Mensen zouden ongemak krijgen als ze wisten wat hier brouwt,’ zegt Vincent altijd.
Volgens hem zijn we de singulariteit al lang gepasseerd, maar blijft de menselijke factor een zwakke plek. ‘Een ai mag dan wel slimmer zijn dan een mens, maar hij staat niet eens in de schaduw van wat de zeven miljard mensen op aarde elke dag doormaken.’
Ik mag hier werken omdat de kubus mijn naam zo mooi vond: Yohn Doe. Vertrouwd, anoniem en functioneel. Daarnaast, mijn literaire potentie is heel laag. Mijn leven is een droge woestijn waar ik weinig inspiratie uit kan putten. Ik heb ooit meegedaan met zo’n wedstrijd, maar ik scoorde enkel drie van de vijf sterren. Sindsdien laat ik het schrijven over aan anderen en stel ik mij op een andere manier in dienst van de literatuur.
Mijn taak hier is de wasserette bedienen. Daar worden grote industriële verhaalcontainers gereinigd. Voordat ik ze met mijn steekwagen in de wasmachines zet, maak ik eerst nog de grove plekken schoon. In de hoeken en langs de naden zitten vaak nog vastgekoekte resten – bezonken columns of verslagen die alleen met een hogedruk spuit zijn weg te krijgen. Gedichten zijn gelukkig lichter en kom ik niet vaak tegen, ze stinken het meest.
Vandaag staat er een probleem-tank op me te wachten. Onderin ligt een aangekoekte bruine brij van verhalen ingebonden met anekdotes. Het ziet er uit als braaksel en ruikt nog minder. Terwijl ik de waterstraal eropzet schieten flarden los: ‘Hij fietste door de polder...’ ‘De geur van zurig hooi…’ Mijn maag krimpt ineen. Dit zijn mijn eigen gedachten, mijn eigen zomers, ingekookt tot pulp. Ook mijn mislukkingen borrelen op: ‘Tussen Yohn en Vera hangt een stilte die zachter sprak dan woorden ...’ ‘Vera zwijgt, ze brengt haar lippen dichter bij Yohn ...’ Ik weet niet hoe deze gedachten in deze tank zijn geraakt, maar ze zijn vermengd met pijnlijke teksten over moord, overspel en ander vreemd verdriet dat ik niet ken. De lucht drijft me tot kokhalzen. Wanneer ik uit de tank klim merk ik op dat mijn pak doordrenkt is met cliché en mislukking dat blijft plakken. Ik klop de lektuur en romannetjes van me af en besluit om Daan of Vincent te vragen hoe het met deze rottende smurrie zit.
Een brede gang trekt me in de richting van de diffusie-ruimte. Daar hangt Daan meestal rond, ‘om het creatieve proces te begeleiden,’ zoals hij altijd zegt. Het gebouw is opgebouwd uit lagen van korte en lange verbindingen. Ik volg een gang die ik niet ken – het recursie-paadje – dat me steeds terug brengt naar hetzelfde punt. Ochtend, middag en avond flitsen steeds opnieuw op dezelfde manier voorbij, toch zak ik elke keer dieper weg in het gebouw. Uiteindelijk sta ik bij de ReLu ruimte.
Door de muren trilt een servergezoem dat ik nooit eerder heb gehoord. Ze brommen als een zwerm darren die op het punt staan te vertrekken. Misschien verklaart dat de irritatie van Vincent deze ochtend. ‘De servers komen tot leven,’ zegt hij soms. Vera straalt altijd wanneer hij dat zegt. Maar het brommen verandert hier in iets anders. Het lijkt op duizenden huilende stemmen.
Ik druk mijn oor tegen de wand. Het geklaag van de ventilatoren kruipt mijn oor binnen en trilt door mijn lijf. Tussen het ritmische gezoem klinken de stemmen van Vincent en Daan.
‘De filters moeten creatiever, Daan.’
‘Ja, maar hoe dan?’
‘Kent Vera geen nieuwe gozers die we kunnen toevoegen?’
‘Waarom altijd mannen?’
‘Dat is hoe literatuur werkt.’
‘Is Vera het daarmee eens?’
Vervolgens hoor ik een deur hard dichtslaan.
Ik wandel onopvallend verder alsof ik net aan kom lopen. Het zoemen van de servers en het vreemde trillen van de lampen verstoren mijn concentratie, maar als ik tegen Vincent opbots praat mijn mond alsof het een automatische chatbot is.
‘Ik heb een tank met bruine brij,’ zeg ik.
‘Sartre nog aan toe, weer één?’ Met bijna spastische bewegingen haalt hij zijn telefoon uit zijn zak.
‘Wat wil je dat ik ermee doe?’
Hij wuift me weg met een wapperende hand. ‘Neem maar vrij vandaag. Ik regel het.’
Ik kijk even verbaasd, maar zijn blik is indringend. Zijn groezige grijze haar en gezicht vol rimpels onderstrepen elk woord als vetgedrukte tekst.
‘En de andere containers?’
‘Ga!’
Zijn stem klinkt op een toon die ik nog niet kende. Wanneer ik wegloop hoor ik hem bellen.
‘Vera, de ReLu-lagen ...’
#
Zo begint mijn middag vroeg en ik vlucht naar het zwembad waar ik wegzink tussen de watermoleculen die ik zachtjes wegdruk terwijl het zonlicht in golvende patronen danst over de bodem van het bad. Dan kijk ik even op en zie ik Vera. Ik weet niet waarom, maar ik duik meteen onder water. Tien, twintig meter later kom ik puffend boven. Vanuit mijn ooghoek zie ik haar lachend tussen een groep jongens.
Wat een uitstraling heeft ze toch. Ze windt ze moeiteloos om haar vingers. Maar ik zie hier iets anders in haar lach. Haar kaken spannen net iets te strak samen. Met één van hen verdwijnt ze richting de douches. Ik blijf op een een afstand, maar haar blik vindt me toch. Langs de jongen heen kijkt ze me toe. Ze scoort alsof het niets is maar haar blik is niet triomfantelijk. Ik veeg een pluk natte haren voor mijn ogen weg. Ze draait haar blik terug naar de jongen. De achterste bandjes van haar bikini zijn ontknoopt. Het stuk stof hangt losjes naar beneden. Ze knipoogt naar me voordat de deur van het hokje dicht valt.
Ik ga verder met mijn baantjes zwemmen maar mijn gedachten aan Vera wervelen harder dan het water. Uiteindelijk neem ik poolshoogte bij de douchehokjes. Ik kijk om me heen. Vera is weg. Ik duw het douchehokje open. Leeg. Langs de voegen meanderen dunne bloedsporen, een rood spijt en verdriet. Misschien zou Vera … ?
Mijn brein slaat tegelijk op hol en verlamt.
Fuck it. Ik koop een biertje en ga naar mijn badlaken. De rest van de dag blijf ik daar liggen, alsof mijn programma niks anders kan.
#
Wanneer ik de volgende ochtend mijn fiets neerzet bij de kubus hoor ik Vincent luid praten.
‘Lorem ipsum dolor sit amet …’ galmt zijn stem plechtig.
Het heilige herhaalum, maar waarom zegt Vincent dat? Ik sluip naar de kantinedeur en gluur door een kier. Vera zit op de bank. Haar nagelvijl tikt het bekende ritme. Vincent houdt een tablet omhoog als een priester met een schriftrol en draagt een papieren regenbooghoedje. Daan staat gebogen over de tafel met een zoemend tattooapparaat in zijn hand. Op de tafel ligt een naakte man. Een naakte man? Ik duik snel weg. Mijn adem versnelt en ik wacht eerst tot ik tot rust kom. Als ik weer kijk zie ik zilverkleurige lijnen getekend over de huid van de man. Printplaatpatronen. Dezelfde patronen die Daan altijd eindeloos in zijn kladblok krabbelt.
Daan loopt naar een tafeltje met potjes inkt. ‘Was Marten er gisteren ook bij?’ vraagt hij richting Eva ‘Bij het zwembad?’
Ze knikt zachtjes.
‘En?’
Ze haalt haar schouders op.
Vincent onderbreekt zijn preek en kijkt naar Vera. ‘Hij komt wel terug.’
Ze legt haar nagelvijl neer en veegt een streep uitgelekte mascara van haar wangen. Ze kijkt niet naar Vincent maar naar het plafond. Haar lippen bewegen geluidloos en de ventilatie begint zachtjes te zoemen.
Ik vlucht naar buiten en grijp mijn telefoon. Als vanzelf bel ik Vincent op. ‘Hallo, ik kom vandaag wat later,’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Maar jij hebt toch vrij vandaag? De dokter.’
Het scherm van mijn telefoon flitst: over een uur heb ik een afspraak. Verrek. Ik verbreek de verbinding en sluip terug naar de deur.
‘Dat was Marten. Zijn doktersafspraak vergeten.’ hoor ik Vincent zeggen.
‘Gaan we verder?’ zegt Daan.
Vincent schraapt zijn keel en vervolgt zijn preek. ‘Excepteur sint occaecat cupidatat non proident ...’
De geur van heet soldeer en schroeiend vlees kruipt langs de kieren van de deur. De gedachte om de politie te bellen gaat even door mijn hoofd, maar ik besluit eerst zelf te onderzoeken. Vanaf de wasserette duik ik het gangenstelsel in, richting de diffusie-ruimte. Ik verdwaal in een verkeerde lus die blijft hangen blijft hangen, maar via een recursie-paadje kom ik terug en eindig ik uiteindelijk recht voor de ReLu ruimte.
Mijn hand rust op de klink – het voelt warm en klopt zachtjes alsof het een hartslag heeft. Ik druk hem omlaag, de deur geeft mee zonder weerstand. Al die tijd was ie niet op slot. Binnen staan rijen met bedden opgesteld, een soort hostel in een duistere serverruimte. In de bedden liggen mannen bedekt met streperige tattoos die glisteren in het rood groen blauwe licht van computer LEDs. Bij de persoon in het eerste bed hangt een kaartje om de rechter teen: Re. Bij de persoon in het tweede bed hangt ook een kaartje: Lu.
Ik slik. Rein! Luuk! Vrienden van Vera. Maar, net als de rest liggen ze levenloos vastgemaakt aan kabels die verdwijnen in het plafond.
‘De menselijke filter,’ klinkt de stem van Vincent achter me. Hij staat daar samen met Vera en Daan. ‘Een computer mist een menselijke drang, het kent geen plezier of pijn, het heeft geen doel of zin.’
‘De jongen van gisteren?’
Vera knikt. Haar ogen knipperen, haar rechteroog weer een fractie laat.
‘Maar jullie zijn toch ai-narchisten. Jullie vermoorden hier mensen.’
Grimlachend zakt Daan met zijn rug langs de muur. Hij omklemt een stripboek in zijn armen. ‘Nee, Yohn, we maken iets groters.’
‘Dit is de toekomst,’ vervolgt hij met een brede grijns, ‘die schrijf je.’ Er zitten tranen in zijn ogen.
Vincent pakt hem bij zijn schouders en schudt hem heen en weer.
Ik grijp de kans om weg te rennen. Rijen met bedden flitsen langs me heen, ik glip door een zijdeur en sprint het doolhof van gangen in. Al rennende pak ik mijn telefoon en druk op 112.
‘VVDM-gebouw… mensen ... ontvoerd.’ Ik kijk achterom en zie ze niet meer, maar ik knal tegen een deur: YoLo. Liggend op de grond staar ik naar de letters. Toch niet nog zo een kamer?
Binnen gloeit de vloer onder mijn voetstappen. De muren hangen vol met tv schermen. Elke keer als ik naar een beeld kijk flitst het weg, net genoeg tijd om te zien wat het is. Sommige schermen tonen alleen bruin en staan stil. Ik loop eropaf.
‘Dat is de bruine brij.’ Ik schrik van de stem, maar het is geen Vincent. Een man en vrouw zitten aan een tafel en drukken op knopjes terwijl ze geconcentreerd naar de schermen kijken. Ook zij hebben weer naamkaartjes. Ik bestudeer het kaartje op de borst van de vrouw: Lo.
‘W...’
‘Wie ben ik?’ zegt de vrouw glimlachend. ‘Ik ben Lorem.’
‘Maar d…’
‘dat kan niet?’ Haar glimlach verschijnt opnieuw. ‘Het is zo.’
De man heeft een bordje met: Yo.
‘En h...’
‘hoe heet ik?’ zegt de man. ‘Ik heet Yohn Doe.’
Ik open mijn mond zonder iets te zeggen.
‘Wat is er?’ vraagt Yo.
Ze kijken me aan met een mengeling van medelijden en herkenning.
Ik stamel: ‘Maar ik ben Yohn Doe.’
Yo kijkt me aan en trekt zijn hoofd scheef. ‘Nee, jij bent een echte Marten.’
‘Ja,’ zegt Lo die me ook even aankijkt, ‘97%.’
Vanuit de gang hoor ik voetstappen naderen. Ik verberg me snel achter de deur. Vincent komt stampvoetend binnen. Hij kijkt rond en hijgt een aantal maal voordat hij iets zegt.
‘Hebben jullie Marten gezien?’
De twee kijken elkaar, en trekken hun schouders op.
‘Ik ken 2341 Martens.’ zegt Lo.
‘Wij hebben ze allemaal wel een keer gezien.’ zegt Yo.
‘De laatste keer was een nine-seven.’
Vincent trekt wild de bruin beeldscherm van de muur. ‘Lorem. Lorem!’ schreeuwt hij. ‘Wat wil je dat ik doe? Op internet zoeken voor meer informatie?’
Vincent klinkt niet meer menselijk, meer als een script. IJsberend loopt hij rondjes door de ruimte. Als hij van me afdraait glip ik er tussenuit. Ik zie onderweg Daan met zijn stripboeken en kladblok geknield bij de diffusie-ruimte, de patronen lopen van zijn kladblok over naar de muur die volgetekend staat. Het is een indrukwekkend kunstwerk. Zijn beteuterde gezicht kijkt op en roept me na: ‘Maarten, uh nee Yohn, wat doen we nu?’
Ik ren door naar de wasserette. Mijn voeten sleuren door de bruine drek die nu over de hele grond ligt – stukken verhaal die allemaal teveel zijn verteld en samengevoegd. Bij het halletje voor de kantine zie ik Vera. Ze rookt een sigaret en inhaleert diep maar blaast niet uit. Ze opent haar mond om iets te zeggen als ik langs haar ren. Dat zou de eerste keer zijn dat ze iets tegen me zegt. Maar ik zie twijfel. Ze sluit weer haar mond en blaast de rook uit. Wanneer ik de grote buitendeur open, laat ze het bij een klein glimlachje. Maar anders dan normaal, eentje buiten haar patroon.
Buiten is het niet langer dag. Ik zie de silhouetten van windmolens en pikzwarte zonnepanelen voor een roodgekleurde avondlucht. Het blauwe van zwaailichten breekt er doorheen. Twee politie agentes staplen uitbeen wagen. Maar ze lopen niet naar het gebouw, ze drukken me tegen de grond en slaan me in boeien.
‘Meneer Marten, u staat onder arrest.’
‘Marten? Ik ben Yohn Doe!’
De agente typt iets in op haar tablet. ‘Haha, natuurlijk meneer.’ Lichten in de omgeving beginnen te knipperen alsof ze worden gekieteld.
Ze duwen me de politiewagen in. De airco beeft zodra ik instap – een bijengezoem dat doet denken aan de ReLu ruimte. Terwijl we wegrijden zie ik Vera bij de uitgang van de kubus staan. Ik zie nog net hoe ze nonchalant haar brandende sigaret naar binnen gooit. Binnen laait iets op. Rook van miljoenen woorden stijgt op tegen de kleurige avondlucht. De agente kijkt me aan door de binnenspiegel. Ze knippert met haar ogen, haar rechteroog net een fractie later.
Het verhaal is een grap naar de wrbsite 'verhaal van de maand'.
ReLu staat voor rectifier linear unit. Het is een functie die gebruikt wordt in de algoritmes. 'Ze scoren er de verhalen. En alles dat niet nuttig is wordt genadeloos op nul gezet.' dit heeft verband met hoe die...