
Hij belt aan om vijf voor acht en als ik opendoe, staat hij met een doos tegels tegen zijn heup en een potlood achter zijn oor.
"Goedemorgen mevrouwtje, ik kom uw droomkeukentegeltjes plaatsen."
Ik laat hem binnen. Hij veegt zijn voeten op de mat, ook al heeft het niet geregend, en zet de doos in de keuken bij de andere. "Alles is mooi geleverd,” zegt hij terwijl hij wijst naar de stapel tegeldozen. Hij steekt zijn hand uit. “Verhoeven.”
Ik zeg mijn naam.
“Mooie keuze gemaakt met de tegeltjes,” zegt hij. “Niet veel mensen durven mat te kiezen. Iedereen wil glans!”
Dan hurkt hij, snijdt de eerste doos open en begint te meten. Ik geef hem koffie. Hij werkt de hele ochtend en tegen de middag liggen de eerste rijen, recht, tot halverwege de vloer. Dan gaat hij weg.
Tom komt om kwart over zes thuis. Ik hoor de auto, de handrem, het portier dat in twee tellen sluit, eerst zacht en dan hard omdat het de eerste keer niet genoeg sloot. Hij zet zijn tas op de tweede trede van de trap en loopt door naar de keuken.
"Ruikt naar nieuwbouw hierbinnen." Hij lacht erbij, een korte lach door de neus. Hij komt achter me staan bij het fornuis en legt zijn hand op mijn heup. "Schiet het wat op?"
"De helft ligt er al in,” zeg ik.
"Die werkmannen, hè." Hij pakt een wortel van de plank en bijt erin. "Komt wel goed."
“Het eten is bijna klaar,” zeg ik.
Hij gaat naar de kamer en zet de televisie aan.
De volgende ochtend gaat de bel om vijf voor acht. Ik doe open en hij staat er met een doos tegen zijn heup, en het potlood achter zijn oor.
"Goedemorgen mevrouwtje, ik kom uw droomkeukentegeltjes plaatsen."
In de keuken is de vloer leeg. De rijen die hij gisteren legde, liggen er niet meer. Op hun plek staan de dozen, dichtgeplakt, op een stapel, zoals ze stonden voor hij begon. Geen lijmgeur, noch voegen, van al het werk geen spoor.
"De tegels," zeg ik.
"Mooi geleverd, hè." Hij zet de doos bij de andere. "Daar gaan we vandaag wat moois van maken." Hij steekt zijn hand uit. "Verhoeven."
Ik geef hem een hand.
“Niet iedereen durft mat,” zegt hij en hurkt, snijdt de bovenste doos open, begint te meten. Ik blijf in de deuropening staan en kijk hoe hij opnieuw begint. Tegen de middag ligt de helft van de vloer er. Daarna pakt hij zijn spullen bijeen.
's Avonds de auto, de handrem, het portier in twee tellen. De tas op de tweede trede.
"Ruikt naar nieuwbouw hierbinnen." De lach door de neus. De hand op mijn heup.
"Schiet het wat op?"
“Het eten is bijna klaar,” zeg ik.
Tom pakt een wortel van de plank en bijt erin. “Die werkmannen, hè, komt wel goed,” zegt hij en gaat naar de kamer.
De derde ochtend wacht ik bij de deur voor hij belt. Ik heb mijn teen gestoten aan de drempel, de nagel wordt blauw. Om vijf voor acht gaat de bel.
"Goedemorgen mevrouwtje, ik kom uw droomkeukentegeltjes plaatsen."
"U was hier gisteren," zeg ik. "En de dag daarvoor. U hebt die tegels al twee keer gelegd."
"U verwart me met iemand anders, mevrouwtje." Hij zet de doos neer. "Mooi geleverd, hè." Hij wijst naar de stapel en steekt zijn hand uit. “Verhoeven.”
Ik geef hem geen hand. Ik kijk hoe hij meet. Zijn nek is bruin tot waar zijn kraag begint, daaronder wit. Als hij zich vooroverbuigt spant de stof over zijn rug. Ik sta in de deuropening en ik druk mijn dijen tegen elkaar, langzaam, en laat weer los. Hij merkt niets. Hij meet. Bij de tegel aan de rand, naast de tuindeur, zet ik mijn voet zodat hij hem niet kan pakken. Hij wacht. Hij kijkt niet op, hij zegt niets, hij houdt de troffel stil boven de lijm tot ik mijn voet weghaal, en dan legt hij de tegel op de plek waar hij hoort. Ik schuif de tegel een halve centimeter scheef. Hij haalt hem weg, veegt de lijm eronder glad, legt hem recht terug.
"Vrouwtjes die meehelpen, dat heb ik niet dikwijls," zegt hij.
Die middag bel ik mijn zus.
Ze neemt op bij de tweede beltoon. Ik vraag hoe het gaat en ze zegt dat het druk is, dat Wouter is gezakt voor zijn theorie-examen, dat de hond iets heeft aan zijn poot en de dierenarts er niet uitkomt. Halverwege zegt ze: "En weet je wat hij nu weer heeft gedaan, je raadt het nooit, hij heeft de hele…"
Ik onderbreek haar en zeg: "Hij heeft de hele garage volgezet met dozen van zijn moeder.”
Het is stil.
"Hoe weet jij dat?"
Ik verplaats de telefoon naar mijn andere oor.
"Dit is net gebeurd,” zegt ze. “Vanmorgen pas." Ze lacht, een korte lach. "Je bent een heks."
Ik zeg niets, de stilte duurt zijn tijd. “Heb jij met Wouter gebeld?” vraagt ze, maar wacht niet op een antwoord. Ze vertelt verder, de dozen, de moeder, de garage, woord voor woord zoals vorige week, en ik zeg op de juiste plekken ja en nee en dat meen je niet.
“Ben je gelukkig?” vraag ik.
"Met de hond bedoel je?"
Ik zeg dat ik het anders bedoel. Ze zegt dat ze moet ophangen, dat de melk overkookt, en ik hoor geen melk pruttelen, en ze hangt op.
’s Nachts tel ik Toms ademhalingen tot ik de tel kwijtraak. Hij ronkt. Ik denk aan de tegel naast de tuindeur. Aan hoe Verhoeven wachtte. Aan zijn snor.
De vierde ochtend trek ik de jurk aan die ik nooit meer aantrek, de groene, die iets te strak zit. Ik doe lippenstift op. Het is twintig voor acht en ik sta in de keuken tussen de dozen tegels.
De bel gaat. Ik kijk naar mijn teen en doe open.
"Goedemorgen mevrouwtje, ik kom uw droomkeukentegeltjes plaatsen."
Ik laat hem binnen. Hij zet de doos neer en steekt zijn hand uit en zegt: “Verhoeven.” Als hij hurkt om de doos te snijden, hurk ik naast hem, met mijn hand op zijn knie.
“Bent u gelukkig?” vraag ik. Hij houdt het mes stil. Ik schuif mijn hand hoger.
“Ik heb een vrouw,” zegt hij.
Ik leg mijn andere hand in zijn nek en ik kus hem, op zijn mond. Zijn snor prikt. Ik schuif op zijn schoot, ik voel hem onder me, en ik beweeg, één keer. Hij duwt me niet meteen weg. Dan zet hij zijn hand tegen mijn schouder en staat hij op.
"Wat is dat nu?" Hij veegt zijn mond af met de rug van zijn hand. "Zo doen we dat niet."
"U kent me," zeg ik. "U bent hier elke dag. U legt elke dag mijn tegels."
"Ik ken u niet." Hij pakt zijn jas van de stoel. "Legt u uw keukentegeltjes zelf maar. Ik kom hier niet meer terug." Hij stapt over de doos heen, de gang in, en de voordeur valt dicht en de bestelwagen start en rijdt weg en het wordt stil.
De tegels liggen er niet. Alleen de dozen, dicht, op de stapel.
's Avonds de auto, de handrem, het portier in twee tellen. De tas op de tweede trede.
"Hij komt niet meer terug," zeg ik. "De aannemer. Hij is weg. Verhoeven komt niet meer."
Tom komt achter me staan en legt zijn hand op mijn heup. "Schiet het wat op?"
"Hoor je me niet? Hij is weg." Ik draai me om. Ik leg mijn handen tegen zijn borst, ik trek aan zijn overhemd, ik kus hem zoals ik Verhoeven kuste, ik druk me tegen hem aan, ik beweeg tegen hem.
Hij pakt mijn polsen vast en houdt me van zich af. Zijn kaak verstrakt, het loopt rood aan.
"Wat heb je gedaan?" Hij kijkt naar mijn jurk, naar mijn mond. "Met die vent. Wat heb je gedaan?"
"Niks. Er is niks. Er is alleen…"
Hij laat mijn polsen los alsof ze vies zijn. Hij pakt zijn tas van de trede en hij gaat de deur uit zonder zijn jas, en de auto start en rijdt achteruit de oprit af, snel, en weg.
Ik sta in de keuken. De dozen staan op de stapel. Ik snijd de bovenste open met het mes dat Verhoeven liet liggen. Ik haal er één tegel uit. Ik leg hem op de rand van het aanrecht, in het midden, en ik duw. Hij geeft niet meteen mee. Ik duw harder, tot hij doormidden breekt. Het geeft een droge knak. Ik leg de twee helften naast elkaar op het aanrecht, met de breuk naar buiten.
De vijfde ochtend hoor ik de bel om vijf voor acht. Ik loop naar beneden in de groene jurk waarin ik geslapen heb.
"Goedemorgen mevrouwtje, ik kom uw droomkeukentegeltjes plaatsen."
In de keuken staan de dozen dicht, de stapel heel, maar op het aanrecht liggen de helften nog, met de breuk naar buiten. Het potlood zit niet achter zijn oor maar in zijn borstzak. Ik geef hem koffie.
Nadat hij weg is, bel ik mijn zus. Het gaat over, vier keer, vijf keer. Er neemt iemand op die niets zegt. Ik hoor een kraan die loopt, iemand die ademt. "Ben jij dat?" vraag ik. De kraan gaat dicht. Er wordt opgehangen.
's Avonds de auto, de handrem, het portier in twee tellen. Maar Tom zet zijn tas niet op de trede. Hij komt de keuken in en hij blijft staan en hij ruikt aan de lucht, hij beweegt naar mijn hals.
"Kijk me aan," zegt hij.
“Het eten is bijna klaar," zeg ik.
"Je hoort me niet," zegt hij. "Ik praat tegen je en je hoort me niet." Hij komt om het aanrecht heen en pakt mijn polsen. "Zeg dat je me nog kent."
"Je wortel ligt op de plank," zeg ik.
"Je was gisteren anders. En de dag daarvoor." Hij zoekt mijn gezicht af, trek voor trek. "Er is iemand geweest. Ik ruik hem. Ik wist het al in de auto."
Ik trek mijn polsen niet terug. Hij wacht en ik geef niets. Na een tijd laat hij los. Hij blijft de hele avond in de keuken zitten.
De zesde ochtend word ik wakker zonder bel. Het is licht.
Ik ga naar beneden. In de keuken liggen de tegels. De helft van de keuken is gelegd en gevoegd, de spons ligt op de rand van de emmer. De helft van de dozen zijn weg. Ik loop over de tegels, op blote voeten, mijn teennagel is blauw en de voegen zijn hard en de vloer koud. Bij de tuindeur loopt één voeg niet helemaal recht.
Op het aanrecht liggen de twee helften nog.