Geschreven door 2 auteurs

De TL-buizen in gang C4 flikkerden altijd om kwart over drie. Marleen kende ondertussen elk geluid van het rusthuis – het kraken van de vloer bij kamer acht, het zoemen van de koelkast in de personeelsruimte, mevrouw Janssens die in haar slaap riep om haar dochter. Maar vannacht was er iets nieuws. Een kind dat lachte. Hoog, helder, spelend ergens op de eerste verdieping waar alleen demente bejaarden lagen. Marleen stopte haar ronde, luisterde. Daar weer – giechelend nu, alsof iemand verstoppertje speelde. Er waren hier geen kinderen. Nooit.
Marleen's hand zocht de zaklamp aan haar riem. Het lachen kwam uit de richting van de dagruimte, waar overdag de bewoners televisie keken in hun rolstoelen. Nu stonden de stoelen leeg in het maanlicht, schaduwen lang over het linoleum. "Hallo?" Haar stem klonk dunner dan ze wilde. Het lachen stopte. Stilte. Alleen het zoemen van de TL-buizen, het tikken van de klok boven de medicijnkast. Dan, achter haar: voetstapjes. Klein, snel, blote voeten op koude tegels. Marleen draaide zich om maar de gang was leeg. Haar hart bonkte tegen haar ribben.
De voetstapjes kwamen nu van boven – een tikkend geluid op het plafond, alsof iemand rondjes rende. Maar boven was alleen zolder, opslag, niemand kwam daar ooit. Marleen keek omhoog naar de nicotinegele plafondtegels. Het tikken stopte precies boven haar hoofd. Ze hield haar adem in. Toen, zo zacht dat ze eerst dacht dat ze het zich verbeeldde: een fluistering door de ventilatieroosters. Niet woorden – eerder een soort zingen, melodieloos en oud. Haar zaklamp viel op de deur naar de traphal. Die stond op een kier. Marleen wist zeker dat ze hem dicht had gedaan.
Ze duwde de deur open met haar voet, scheen met de zaklamp de trap op. Stof danste in de lichtbundel. Boven hoorde ze het nu duidelijk: getrippel, dan een bons, alsof iets omviel. "Is daar iemand?" Haar stem echode in het trappenhuis. Geen antwoord. Marleen tastte naar haar gsm, overwoog de nachtwacht te bellen, maar wat zou ze zeggen? Dat ze spoken hoorde? Ze zetten haar meteen op verlof. Ze begon te klimmen. Elke tree kraakte onder haar gewicht. Halverwege stopte ze. Op de overloop lag iets – een speelgoedbeest, een oud konijn met één oog.
Marleen raapte het konijn op. Het vilt voelde vochtig aan, rook muf naar kelder. Ze kende elk speelgoedje dat de kleinkinderen meebrachten voor de bewoners – dit ding had ze nog nooit gezien. De kop hing scheef, losgerafeld aan de nek. Boven haar kraakte een deur. Ze richtte de zaklamp naar de zoldergang. Helemaal aan het eind bewoog iets – klein, wit, verdween om de hoek. "Hé! Blijf staan!" Marleen nam de laatste treden, haar adem hoog in haar keel. De zolderlucht was dikker hier, stoffig en warm ondanks de kou buiten. Dozen, oude bedden, kapotte rolstoelen in het half-donker.
En daar, tussen de stapels oude dossiers: een meisje. Hooguit zes jaar, in een wit nachthemd tot op haar enkels. Ze stond doodstil, haar rug naar Marleen. Haar haar hing in slierten langs haar rug, zo blond dat het bijna zilver leek in het schijnsel van de zaklamp. "Hoe ben jij hier gekomen?" Marleen's stem trilde nu echt. "Waar zijn je ouders?" Het meisje draaide zich niet om. Haar schouders schokten – lachte ze? Huilde ze? Marleen deed een stap dichterbij, struikelde over een stapel oude jaarverslagen. Toen ze opkeek was het meisje verdwenen. Op de stoffige vloer: voetafdrukken. Kindervoetjes.
Marleen volgde de afdrukken. Ze leidden tussen de dozen door naar de oude personeelskamer, waar decennia geleden de nachtzusters sliepen. De deur stond open. Binnen rook het naar schimmel en iets zoets, bijna bloemenachtig. De voetafdrukken stopten midden in de kamer, voor een oude metalen kast. Marleen trok de deur open: lege planken, spinnenwebben. Achter haar giechelde het meisje weer. Marleen draaide zich om. Het kind stond in de deuropening, haar gezicht nog steeds afgewend. "Waarom kijk je me niet aan?" fluisterde Marleen. Langzaam begon het meisje haar hoofd te draaien. Haar nek kraakte als oud hout.