
Wij hadden een buurland op ons verlanglijstje gezet en kijk, het is putje winter en wij zijn zowaar op weg naar Neufchâteau in hartje Belgische Ardennen. Duitsland viel deze keer uit de boot.
‘Wat als we ons weer eens onderdompelen in de romantische sferen van de Franse taal en de geneugten van de Bourgondische levenswijze?’, zei Joost.
Gisteren plaatste hij sneeuwbanden op onze Citroën DS, geen makkie om die te vinden voor deze oldtimer met de onovertroffen hydraulische vering.
Het lijkt wel of we door het landschap zweven. Wij raken helemaal in de stemming bij het lezen van de plaatsnaambordjes: Ciney, Marche-en-Famenne, Saint-Hubert en Libramont-Chevigney, waar de laatste richtingaanwijzer het doel van de reis aanwijst.
‘Kijk, hoe romantisch’, zeg ik. Wij rijden voorbij een chambre d’hôtes met de lieflijke naam Le chant du Merle, het lied van de Merel.
Even later glijdt ons strijkijzer, de bekende bijnaam van onze auto, op de parking van het Château de Grandvoir, het tot hotel en restaurant verbouwd kasteel. Op de grote binnenkoer weerkaatst het gedempte licht uit de ramen op de vers gevallen sneeuw. In de lobby fonkelt het kaarslicht, alles ademt hier warmte en gezelligheid.
Joost is geobsedeerd door de jacht en vertrekt na het ontbijt naar de club uit de buurt die een driedaagse cursus inricht voor personen die in de jachtsport zijn geïnteresseerd. Mij kan dit niet boeien. In de hotellobby liggen stafkaarten van de omgeving en brochures met uitgestippelde tochten.
Mijn kennis van het Frans is rudimentair, gelukkig zijn er enkele tweetalige Belgen met wie ik vlot kan converseren.
‘Kom met ons mee’, zegt een van hen: ‘we gaan met de groep een fikse wandeling maken in de omliggende velden en bossen.’
Ik sluit me bij hen aan. De meeste wandelaars maken foto’s met hun gesofisticeerde IPad. Ik houd het bij mijn analoge spiegelreflexcamera met macrolens.
In een donker dichtbegroeid sparrenbos richt ik mijn aandacht op een merkwaardige paddenstoel. In mijn ijver om hem te fotograferen merk ik niet dat de groep uit het zicht is verdwenen. Even panikeer ik, er zou zo maar een everzwijn kunnen opdagen. Ik volg de sporen in de sneeuw, maar op een kruispunt gaan die alle kanten uit. Had ik maar een exemplaar meegenomen van het foldertje met de wegaanduiding.
De weg die ik ben ingeslagen is duidelijk niet de juiste want nu ik terug in een deel van het bos ben met hoge bomen zie ik voor mij totaal geen beweging en hoor ik niets. Net wanneer ik rechtsomkeer wil maken, merk ik een rookpluim en hoor ik slagen. Even verder staat een blokhut waar iemand voor de deur onder een hoge dennenboom hout hakt.
Ik nader voorzichtig de brede rug in de trui en tussen twee bijlslagen door hoest ik luid om mij te laten opmerken. De kerel keert zich geschrokken om en stoot daarbij tegen een laaghangende tak van de spar. Een pakje sneeuw valt op zijn kruin. Hij merkt dat ik een schaterlach onderdruk en lacht zelf hartelijk. Zijn ogen lachen mee. Als hij zijn wollen muts aftrekt schudt hij zijn golvende donkerbruine haren.
Waarom voel ik mij meteen aangetrokken tot deze redder in nood? Zijn blik verraadt dat hij mijn plotse aanwezigheid zeer op prijs stelt. Hij spreekt een taal die ik niet versta, maar hij ziet dat ik ril en gebaart dat ik mij kan opwarmen bij de haard in de blokhut. Ik ben er nog niet uit of het rillen is van de kou, maar samen bij het oplaaiende vuur begrijpt hij dat ik verloren liep.