Inhoudswaarschuwing
Vanwege de suggestie van kindermisbruik is dit verhaal wellicht niet voor iedereen.
De trap naar zolder is oud en krakkemikkig, net als ikzelf. Dat er alleen aan de linkerkant een leuning is, maakt de klim nog moeilijker. Ik voel me duizelig, mijn enkels doen pijn en ik durf er niet op vertrouwen dat mijn knieën mijn gewicht gaan houden. Mijn beide handen klampen om die linkerleuning. Ik heb dit zwaar onderschat, realiseer ik me. Of beter: ik heb mezelf overschat. In mijn hoofd ben ik nog altijd 40, maar in de harde werkelijkheid ben ik inmiddels twaalf jaar ouder dan mijn vader is geworden. Slechts één jaar jonger dan mijn moeder was toen ze stierf, als laatste van haar generatie. Ik wil nog niet sterven. Het zou verstandiger zijn weer naar beneden te gaan.
Ik ga niet naar beneden. In plaats daarvan zet ik de kostbare tijd die mij rest op het spel om de zolder te bereiken. Ik doe er lang over. Ik sta doodsangsten uit. Maar het lukt.
Het is zo lang geleden dat hier iemand was, dat de vegen in het stof, die ik de vorige keer heb gemaakt, zijn opgevuld met nieuwe stof. Ik denk aan ongerepte sneeuw en het spoor van kinderlaarsjes, mijn kinderlaarsjes, dat me vervulde met trots, maar ook met spijt. Die sneeuw zou nooit meer ongerept zijn. Al snel kwamen er meer sporen, die de sneeuw grauw, op sommige plaatsen zelfs zwart maakten, voordat hij smolt en verdween. Tot er nieuwe sneeuw viel, waarin ik toch, achteruitlopend om het goed te kunnen zien, opnieuw een eerste spoor maakte.
Ik schuifel vooruit.
Waarschijnlijk komt het door de zojuist geleverde inspanning dat ik moeilijk mijn evenwicht kan bewaren. De zolder lijkt te hellen. Of ben ik vanochtend vergeten mijn tabletten in te nemen? Ik kan het me even niet herinneren. Maar er staat genoeg om me aan vast te grijpen. De complete inboedel van het woninkje van mijn ouders is hier opgeslagen, waarom heb ik in vredesnaam die oude troep nooit weggegooid? Het tv-meubel en de fauteuil, die mijn moeder mee kreeg naar het verzorgingshuis, staan het dichtst bij het trapgat. Die dozen daar bevatten haar foto’s.
Mijn ogen prikken en stromen over.
“Ouwe dwaas,” mopper ik, maar ik kan de emotie niet onderdrukken. Terwijl ik huil om mijn moeder en haar dierbare herinneringen, schuifel ik onvast verder, eerst steun vindend bij een eettafel en daarna bij een linnenkast, voorbij kerstspullen, tuinmeubilair, een oude stofzuiger, een enorme tv. Ik ben er bijna. Ik laat de linnenkast los.
Helemaal aan de andere kant van de ruimte, aan het zicht onttrokken door een stapel koffers, bevindt zich een stopcontact. Daar hoef ik deze keer gelukkig niet helemaal naartoe. Jaren geleden heb ik een verlengsnoer uitgerold, dat nog steeds van achter de koffers naar het bijzettafeltje kronkelt, waarnaar ik onderweg ben. Op het bijzettafeltje staat een antwoordapparaat. Haar antwoordapparaat.
Dat is waarvoor ik hier naartoe ben gekomen.
Ik zal de boodschap nog één keer beluisteren, voordat ik hem wis.
Ik mag dan een oude dwaas zijn, zo dwaas ben ik niet dat ik me verbeeld deze tocht nog een keer te kunnen maken. Dit is de laatste keer dat ik hier ben en ik moet de boodschap wissen. Die boodschap moet gewist worden.
Ik wankel. In een poging mijn evenwicht te hervinden, maak ik een onverhoedse beweging met mijn bovenlichaam en ik besef meteen dat ik een gruwelijke fout heb gemaakt. De zolder kantelt. Mijn hand slaat ergens tegenaan. Broze vingers breken. Ik kom in het stof op de vloerplanken terecht. Geen pijn, dat niet, maar wel een overweldigend verdriet. Dit is het einde. Is het echt mijn einde?
“Mama, nee,” hoor ik een fragiele stem jammeren. Ben ik dat?
En dan hoor ik: “Mam, met mij.”
Dat ben ik ook, maar dan veel jonger. Ik klink opgefokt. Bijna moet ik lachen om de ironie; ik kwam hier om de boodschap nog één keer te beluisteren en nu hoor ik hem inderdaad. Blijkbaar heb ik mijn vingers gebroken op het antwoordapparaat. Zal ik er straks met mijn andere hand een mep op geven om de boodschap te wissen? Nu begin ik warempel echt te giechelen, maar het giechelen gaat al snel over in amechtig hoesten. Ik proef bloed.
“Niet opnemen,” ga ik verder. “Ik wil dat je me uit laat praten. Ik wil dat je eindelijk hoort wat het met me gedaan heeft. Wat jij met me gedaan hebt.“
Ik begin te schreeuwen: “JE HAD GODVERDOMME HET RECHT NIET!”
Nee, dat had ze niet. Maar het maakt niet meer uit. Het is zo lang geleden.
Ik voel hoe een aangename gelatenheid bezit van me neemt en ik sluit mijn ogen, terwijl mijn jongere ik verder raast. Om me heen is het stralend wit.
Wit als ongerepte sneeuw.