Ze sluit achter in de rij aan. Rond de kraam hangt de geur van ui, gebakken kibbeling en haring.
Een van de verkopers schept scherfijs over de vissen. Het metalen schepje krast.
Haar broer schopt met zijn Friese doorlopers tegen het houten bankje. Sneeuw zit vast aan zijn veters. Hun vader zegt dat ze niet te ver moeten gaan.
‘Mevrouw?’
Ze schrikt op. ‘Sorry?’
‘Wat mag het zijn?’
Ze kijkt naar de opengesperde bekken.
Haar broer glijdt achteruit over het ijs. Zijn muts hangt half over één oor. Hij strekt zijn armen wijduit.
‘Nieuwe haring vandaag,’ zegt de visboer. ‘Mooie maat.’
‘Doe maar twee.’
Hij legt ze op papier.
‘Uitje en zuurtje erbij?’
‘Ja.’
Het schepje gaat weer door het ijs.
Haar broer staat stil. Eén arm een beetje van zijn lichaam af. Dan zakt hij weg, eerst tot zijn middel.
De visboer snijdt uitjes fijn. Ze kijkt naar zijn handen. Zijn knokkels zijn rood. Op zijn schort glinsteren schubben.
Mensen op de kant beginnen te roepen. Haar vader rent het ijs op. Zijn schoenen glijden weg. In het zwarte gat draait het water tussen de schotsen.
De visboer schuift het pakketje naar haar toe. Ze rekent af en stopt het wisselgeld eerst verkeerd in haar portemonnee. Achter haar rijdt een vrachtwagen stapvoets langs de markt. Ze loopt weg van de kraam. Naast de bloemenstal staat een emmer met troebel water en afgebroken stelen.