Mijn moedertaal is stilte, want woorden liegen—vooral die van vrouwen. Mijn moeder zweeg zelden, vulde elke stilte met nutteloze praatjes. Over buurmannen die scheefpoepten, buurvrouwen die kristalstalen en streekkinderen die kattekwaatten. Mijn vader sprak nooit, en zijn zwijgen woog zwaarder dan al haar woorden samen. We denken taal nodig te hebben, voelen is genoeg.
Vrouwen praten uit angst dat stilte hun geheimen onthult; mannen zwijgen omdat ze weten dat woorden toch niets veranderen. Ons leven staat al vast, het lot is bepaald—taal is slechts een wanhopige poging te geloven dat we iets te zeggen hebben.
Ik herinner me de avonden bij mijn grootouders: oma die bleef praten, opa die naar buiten staarde, wachtend tot het ophield. Hij wist het al lang: stilte is de enige waarheid. Maar niemand houdt ooit écht zijn mond.
En jij, die nu leest—ook jij blijft luisteren naar woorden, terwijl je weet dat ze niets veranderen. Je bent net als zij: gevangen in taal, zoekend naar betekenis in zinnen die nergens toe leiden. Je zou kunnen stoppen met lezen, maar dat doe je niet. Misschien omdat stilte, ook voor jou, ondraaglijk is geworden.