
Ik belde voor mijn moeder, dat moet ik erbij zeggen, ik belde niet voor mezelf, ik heb nog nooit in mijn leven voor mezelf naar een verzekering gebeld, dat deed Sonja altijd, die kan dat, die heeft geduld met dat soort mensen. Maar Sonja was naar de Colruyt en mijn moeder haar dossier lag al drie weken op tafel tussen de reclamefolders en een schaaltje met sinaasappels en dopjes van colaflessen, ik weet niet waarom ze die bijhield, ze hield alles bij.
Keuzemenu. “Voor uw polis, toets één.” Ik toetste één. Dan muziek, dan iemand die Wendy heette.
Wendy vroeg mijn rijksregisternummer, en ik gaf dat van mijn moeder, en Wendy zei dat ze het even niet vond, en toen zei ze: “Momentje,” en toen was er dat getik van haar toetsenbord dat ik nu nog hoor als het stil is in de auto. Ik stond intussen een sinaasappel te pellen met de telefoon tussen mijn schouder en mijn oor, dat kraakt, dat weet ik, ze zei twee keer: "Sorry, ik versta u niet goed.”
En dan zei ze: “Bij u staat elf november vierendertig.”
“Bij mij?” vroeg ik.
“Ja,” zei ze. “Sorry, ik zit in het verkeerde scherm, dat is uw dossier, dat is de theoretische einddatum uit het model, dat is een berekening, meneer, dat betekent niets, dat is statistiek, dat draait op leeftijd en beroep en postcode en of ge rookt, ge moet daar echt niks achter zoeken, wilt ge dat ik terugga naar mevrouw haar polis.”
“Ja,” zei ik en ook nog: “Dank u.”
Ik vertelde het aan Sonja toen ze de diepvrieskip in de vriezer legde.
“Zoiets mag niet,” zei ze. “Ge moogt dat niet zeggen tegen een klant.” De kip zat in de vriezer. “Ge moet dat melden.”
“Ik ga dat niet melden,” zei ik. “Want dan krijgt dat meisje last.”
“Ze heeft daar zelf voor gekozen,” zei Sonja.
“Dan moeten we die veranda niet meer zetten,” zei ik.
“Doen we de kip zaterdag of zondag?” vroeg ze.
Bij de slager vertelde ik het ook, aan Danny.
“Da's nog ver weg,” zei hij en hij veegde zijn handen af aan zijn schort. “Dikke schellen of dunne?” Dun. Altijd dun, al twintig jaar dun, en toch vroeg hij het.
Ik belde dinsdag terug en ik kreeg een Sofie, en woensdag kreeg ik een Peter, en die zei dat ze geen medewerkers doorgeven en of het over een schadegeval ging. Ik gaf hem het rijksregisternummer van Sonja en of hij die ook eens kon opzoeken. “Ge moet het mij niet zeggen,” zei ik. “Ge moet alleen zeggen of het voor of na mijn datum is.” Hij legde neer. Ik had zelfs de kans niet om te zeggen dat ze stiekem rookte.
Zondagmorgen belde ik nog eens. “Voor uw polis, toets één. Voor een schadegeval, toets twee. Voor alle andere vragen, blijf aan de lijn.” Ik bleef aan de lijn. “Onze diensten zijn momenteel gesloten. Dank u voor uw oproep.”