Eigenlijk had ik een hond in gedachten, een Hollandse smoushond, in de omschrijving stond dat ze speels waren. Volgens Willem was speelsheid precies wat ik had gemist, karakterieel dus, naast nog wat andere zaken, dus maakte ik een afspraak met het asiel.
Een medewerker ging me voor door de gangen vol kooien. Uit elk van die kooien kwam iets: gegrom, gekrijs, gejank, gesis. Elk afzonderlijk klonk het niet goed, bij elkaar opgeteld was het afschuwelijk.
Ik wou mijn oren dichtduwen toen ik ineens een stem hoorde, kalm en innemend: ‘De meesten die hier worden afgewezen, weten tenminste niet waarom.’
Ik draaide mijn hoofd. Schuin boven me zag ik twee ogen. Ze bewogen niet. Ze behoorden toe aan een witte kaketoe met een felgele kopkuif. Zijn snavel stond wagenwijd open.
Heel even dacht ik dat hij opgezet was, maar toen zei hij: ‘Had je niet gedacht hé, zoveel wijsheid in het midden van deze klerezooi.’
Ik reed huiswaarts met de kaketoe in de bench voor de smoushond. Sinds zijn adoptie had hij minder noten op zijn zang, maar ik zag vanuit de achteruitkijkspiegel dat hij zijn volgende verkondiging al aan het voorbereiden was.
‘Houd je ogen op de weg, klapkaak,’ was die.
‘Dankzij mij zit je niet meer in die klerezooi, je kan me maar beter dankbaar zijn,’ zei ik.
‘Dankbaarheid is een hondse eigenschap.’
Daarna was het een tijdlang stil, maar ik zag zijn kop van links naar rechts gaan en zijn snavel open en dicht. Hij kwam nu op kruissnelheid.
‘Ik heb slecht nieuws voor je, klapkaak. De komende vijf dagen zijn je laatste.’
Ik grinnikte even, maar voelde ook spijt. Ik moest ineens ook weer aan Willem denken.
‘Herhaal dat nog eens?’
‘De komende vijf dagen, die zijn je laatste, jij en ik gaan ons vermaken.’
‘Waarmee vermaken?’
Hij stak zijn kop tussen de tralies en richtte die naar het raam, zwijgend.
‘Ik ga je ten gronde richten.’
‘Je vergeet wie van ons tweeën in een kooi zit.’
‘Jij ziet enkel het deurtje niet. Klapkaak. Al dat praten.’
‘Ben je een paranormale papegaai dan? Is het dat?’
Hij pikte naar iets op de bodem van de bench, zijn kuif veerde mee.
‘Iemand huilt, iemand huilt, het is de smoushond met zijn speelse snuit.’
Ik parkeerde de wagen dubbel, zette mijn richtingsaanwijzers aan en stapte uit. Het achterportier ging open, ik bracht mijn gezicht vlak bij dat van de kaketoe.
‘Hou. Op.’
‘Jij houdt op. Twistziek snotjong.’
Ik sleurde de bench uit de wagen, opende het deurtje en greep de papagaai. Zijn veren voelden veel warmer dan ik had gedacht. Ik gooide hem de lucht in, meteen klapten zijn vleugels open.
Zo snel als ik kon startte ik de wagen weer, de bench liet ik gewoon op straat achter.
Ik was al bijna thuis toen ik zijn trage vleugelslagen naast het raampje zag.
Zijn pootjes hield hij gekruld tegen zijn buik aan. Het zag er warm uit, warm en beschut.
Meesterlijk, heerlijk Klapkaak! Je kan onmogelijk van je lot ontsnappen. Wat een vondsten! (ik zie niet veel dat je zou moeten schrappen...)
favorietste zin! 🔥 ZGG · Zeer graag gelezen
Het idee was het gesprek langer te maken dan nodig. Daar zit dan de overtolligheid 🙂