Op de afdeling Urologie botst een arts met een kartonnen beker koffie tegen me op. De bruine straal loopt van mijn schouder tot aan mijn riem.
‘Verdomme. Mijn schuld.’ De arts kijkt op zijn horloge. ‘Ik moet naar de Spoedeisende Hulp. Wacht.’
Hij verdwijnt door een klapdeur en komt even later terug met een schone witte jas.
‘Trek deze maar aan. Lever hem straks in bij de balie.’
Ik loop verder, op zoek naar kamer 318, ondertussen de jas dichtknopend.
‘Dokter?’
Voor kamerdeur 317 spreekt een vrouw in een licht mantelpak me aan. Ze draagt een parelketting, waarvan het slotje naar voren is gedraaid.
‘Mag ik u iets heel persoonlijks vragen?’
Ik open mijn mond, maar ze is me voor.
‘Het hoeft niet lang te duren.’
Ze pakt mijn onderarm.
‘Mijn man zou dit zelf nooit vragen. Hij schaamt zich te veel.’
Ik slik. ‘Mevrouw -’
‘Kan het dat u meteen zo’n pompje plaatst? Dan hoeft hij later niet nóg eens geopereerd te worden.’
Ze kijkt even naar de gesloten kamerdeur een paar meter verder.
‘Hij doet alsof het hem niets kan schelen. Maar sinds het niet meer lukt… Nou ja.’
Ik wil zeggen dat ze zich vergist.
‘Als het kan… wilt u er dan alstublieft aan denken?’
De kraag van de jas schuurt langs mijn nek.
‘Ik zal kijken wat mogelijk is.’
Ze vouwt haar handen voor haar borst.
‘Dank u, dokter.’
De deur van kamer 318 zwaait open.
‘Jan!’ Mijn baas steekt zijn hoofd naar buiten. ‘Ik dacht al: die stem ken ik.’
De vrouw kijkt van haar man naar mij.
‘Jij kent de chirurg?’
Mijn baas lacht.
‘Chirurg? Jan?’
Ze zegt niets.
Ik maak de knopen van de witte jas los, sla de panden open en laat de bruine koffievlekken zien.
‘Ongelukje.’
Ik loop achter hen aan de kamer in. De vrouw draait zich om.
‘Als u de chirurg straks nog ziet. Alstublieft.’