Hij kwam gehaast het uitvaartcentrum binnen. De plechtigheid van zijn vriend zou over een paar minuten beginnen.
Nog voor hij zijn jas had uitgedaan, greep een man hem bij de arm.
‘Daar bent u eindelijk. De doedelzakspeler staat al klaar.’
Meteen zwaaide een deur open. Een man in kilt zette Going Home in en marcheerde de rouwzaal binnen. Bij iedere stap dansten de kwasten aan zijn kousen mee.
‘Na hem bent u,’ fluisterde de uitvaartleider.
Hij werd meegevoerd. Alle stoelen waren bezet. Naast de open kist bleef hij staan. Eén schuine blik was genoeg. De vrouw die erin lag had hij nog nooit gezien.
De muziek stierf weg.
‘Dan geef ik nu het woord aan de heer Feitsma.’
Alle ogen rustten op hem. Hij schraapte zijn keel.
‘Als je afscheid neemt van iemand, besef je vaak pas hoeveel ruimte iemand innam.’
Hier en daar werd geknikt.
Hij keek een paar tellen naar de dode in de kist. Een pluk grijs haar liet één oor vrij. ‘Ze kon luisteren. Na een gesprek met haar voelde je je gezien.’
Een vrouw depte haar ogen.
Hij voelde de spanning uit zijn schouders glijden.
‘Wie haar goed kende, wist dat ze koppig kon zijn. Een koppigheid die voortkwam uit trouw. Als ze eenmaal voor iemand koos, liet ze die niet meer los.’
Een zacht gemompel trok door de zaal.
Wonderlijk, dacht hij.
Hij wierp een blik op de doedelzakspeler, die met gebogen hoofd naast de deur stond.
‘Ik weet nog hoe ze thuiskwam uit Schotland. Ze kon er maar niet over ophouden.’
Op de eerste rij kwam een grote man langzaam overeind.
‘Schotland?’
Hij knikte. ‘Daar heeft ze heerlijke herinneringen aan overgehouden.’
De man keek hem een paar tellen aan.
‘Ze is er één middag geweest.’
Niemand bewoog.
‘Dezelfde avond nog wilde ze terug.’
Zijn vingers gleden naar de knoop van zijn stropdas. ‘Ach, de plaats doet er eigenlijk niet toe…’
‘Wie bent u eigenlijk?’ vroeg de man.
Hij keek de zaal rond. Dezelfde gezichten die hem zojuist nog hadden toegeknikt, wachtten nu op een antwoord. Hij haalde een rouwkaart uit zijn binnenzak en stak hem omhoog.
‘Feitsma,’ zei hij. ‘Mijn vriend is dood.’
Niemand zei iets.
Hij knikte, draaide zich om en liep de zaal uit.
In de hal keek hij naar de kaart.
Woensdag. Veertien uur.
Hij vouwde hem zorgvuldig dicht.
Morgen zou hij het niet over Schotland hebben.