De man leunt met zijn onderarmen op de bar, zijn kin hangt op zijn borst. Ik ga zitten op de enige vrije kruk, naast hem. Pas als ik mijn bestelling doorgegeven heb, kijkt hij me over zijn rechterschouder aan. Zijn linkeroog blijft recht vooruit staren. Even betrekt zijn gezicht. Meteen daarna klaart het op.
‘Godallemachtig. Tom!’
Een paar hoofden draaien zijn kant op. Aan de biljarttafel valt het praten even stil. Een van de mannen legt zijn keu neer en loopt naar de toiletten.
Tom?
Het zou kunnen.
Het weerzien doet de man duidelijk goed.
Dus.
‘Ja,’ zeg ik.
Zijn hand grijpt de mijne.
‘Je leeft nog, man. En dat niet alleen: je zit gewoon híer.’
Hij trekt me naar zich toe. Alcohol en tabak.
Mijn hand blijft nog even in de zijne hangen.
‘Ik leef nog.’
De man veegt met een trillende hand over zijn mond.
‘Niemand wist waar je was, Tom. Niemand.’ Hij lacht. Zijn schouders zakken. ‘En nu zit je hier gewoon.’
‘Hier zit ik,’ zeg ik.
‘Je hebt geen idee hoeveel vragen er zijn.’
‘Snap ik.’
De barman zet een glas bier voor me neer.
Ik neem een paar flinke slokken.
‘En je komt gewoon terug, zonder iets te zeggen. Jezus.’
Hij blijft me aankijken.
Ik glimlach, schud mijn hoofd.
‘En nu?’ vraagt hij.
Ik neem nog een slok en leg mijn pakje shag en aansteker op de bar.
‘Nu drink ik mijn bier,’ zeg ik.
‘Ik wist niet dat je rookte.’
‘Ik rook. Sinds kort.’
‘Je hebt lef, man,’ zegt hij. ‘Terugkomen. Na alles.’
Hij legt zijn hand op mijn onderarm. Van drie vingers ontbreken de topjes.
‘Ze gaan je vinden, dat weet je toch?’
‘Wie?’ vraag ik. Ik krijg mijn ogen niet van zijn hand af.
‘Kom op, Tom. We hoeven dat spelletje niet te spelen. Niet jij en ik.’
Zijn blik glijdt door het café. Dan buigt hij zich naar me toe. ‘Heb je het nog?’
Ik sluit mijn hand om mijn glas.
Achter me gaat de deur open.
Zijn rechteroog schiet die kant op.
Alle kleur trekt uit zijn gezicht.