Thomas schoof het gordijntje open, zette zijn voet op het opstapje en ging binnen. In de houten bovenkap zat een rozig spotje dat flets licht op de wanden en het rooster wierp. Hij knielde.
Voor wie zich buiten het gestoelte bevond, waren zijn onderbenen zichtbaar, wist hij.
Hij wachtte tot het rooster zou opengaan en hij de stem van de priester zou horen, die hem daarnet, terwijl hij de attributen van de avondmis wegzette, met een knikje te kennen had gegeven dat Thomas alvast plaats mocht nemen.
Het duurde even, maar dan hoorde hij aan de andere kant toch zacht gestommel. Hij boog zich naar het rooster toe, hield zijn adem in.
Niets.
Misschien waren er andere gewoontes in deze parochie die hem niet vertrouwd was, met die vreemde, moderne biechtstoel die maar uit twee cabines bestond, en die priester die iets eigenwijs had.
‘Zal ik maar beginnen?’ hoorde hij.
‘Lijkt me helemaal goed,’ mompelde Thomas. Het rooster stond niet eens open. Was dat zijn taak? Hij morrelde aan een hendeltje, maar er veranderde niets.
‘Vergeef me, vader, want ik heb gezondigd,’ hoorde hij.
Thomas trok grote ogen. Hij kon nog weg, de vergissing rechtzetten, wachten tot de priester opdook.
In de plaats daarvan fluisterde hij: ‘Belijd uw zonden met een oprecht hart.’
‘Ik ben mijn vrouw ontrouw geweest. Ik heb haar pijn gedaan door te liegen en zaken achter te houden. Ik voel daar spijt over en schaamte, en ik wil mijn fout erkennen tegenover God en proberen mijn leven te verbeteren.’
Stilte.
‘God ziet uw oprechte spijt. Uw penitentie is: bid drie Onzevaders en denk na over uw daden. Ik ontsla u van uw zonden in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest,’ zei Thomas zo zacht en snel dat hij zich afvroeg of de ander het gehoord had.
Even gebeurde er niets. Toen hoorde Thomas het gordijntje aan de andere kant opengaan, gevolgd door voetstappen.
Hij stelde zich voor hoe de ander wegliep, blinkend op de gladde kerktegels.
Hij bleef zitten, breed glimlachend achter zijn handen die hij voor zijn mond geslagen had, achter dat gordijntje, in die verlaten kerk, tot de priester naderde en hem de biecht afnam.
Tegen negenen wandelde Thomas in de richting van Het Vermaak, waar de mannen niet op hem hadden gewacht en alvast aan hun eerste rondje begonnen waren. Martin zat centraal, zijn benen wij open, zijn schedel glimmend in het licht van de jukebox, zijn armen voor zijn borstkas gekruist.
Thomas bleef even staan, keek toe hoe Martin het woord nam en de anderen aan het lachen bracht, zo luid dat het tot op straat hoorbaar was, maar toen zwaaide de deur open en liep Thomas gauw verder.
De Spanjaardstraat uit, linksaf aan de fietsmaker, rechtdoor en dan naar rechts aan het kruispunt. Nummer veertien, drie korte tikken op het zijraam met zijn trouwring, die hij daarna voor het eerst sinds lang niet in de binnenzak van zijn vest liet glijden.
Ze deed open, maakte plaats, maar hij bleef staan.
‘Charlotte,’ zei hij. Het klonk als een schampschot.
Ze keek hem verschrikt aan vanonder hun sepia trouwfoto naast de kapstok.
Zij wit gesluierd, parels rond haar hals, vol ontzag voor de man naast haar.
Hij met zijn nog volle haardos.
Ja, mooi. Ook hier kun je mij altijd voor wekken. Overspel, de priester en de biecht. Ik neem aan dat Martin degene was die kwam biechten, dat Thomas hem had herkend? Buitengewoon grappig en onverwacht dat hij daarna zelf de schuinsmarcheerder is. Met volle haardos en al :) Graag gelezen!