Toen mijn zus Steph naar haar laatste kamer verhuisde, vroeg ze me haar graslelie op te halen. Op een lage, witte kast stond hij, in een bundel licht dat door het raam viel, zwaar doorbuigend onder de stekjes.
Water had hij voldoende gekregen. Daar had de buurman voor gezorgd, maar daar was zijn takenpakket ook gestopt.
In de keukenla vond ik een mesje waarmee ik de stekjes, tien of elf, zorgvuldig afsneed. Ik legde ze op een hoop naast de moederplant, me afvragend of ik ze mee moest nemen of daar laten, toen er eentje achter de kast viel.
Ik ging op mijn hurken zitten en tastte de vloer af. Stofnesten bij hopen, een muntstuk, een stomp potlood en een envelop schoof ik vanonder het kastje vandaan. Met mijn wang op de grond en mijn telefoon als zaklamp tuurde ik onder de kast; dáár lag het, op wat zijn kop leek. Ik greep ernaar, mijn schouder bijna uit de kom, en fluisterde: hier blijven, jij.
Ik zette de plant en de stekjes in een kartonnen doos en wou de rommel in de vuilbak gooien, toen ik merkte dat de brief aan mij geadresseerd was. Hij was zelfs gefrankeerd; ooit had Steph gewild dat ik hem kreeg.
In de envelop zat een half cursusblad.
DAT VAN DAVID, DAT WAS NIET WAAR!
Over het hele oppervlak, in zwarte stift.
Op de steenweg was ik nagenoeg de enige. Ver onder de toegelaten snelheid reed ik met naast mij de doos, schommelend op de passagierszetel.
Er was nog een week, misschien twee.
Herinneringen ophalen, want nieuwe maken was niet meer aan de orde. Liedjes kiezen voor de ceremonie. Slappe thee maken. Glimlachen – het minst inspannende vertoon van welwillendheid.
Doen alsof de kamer gewoon een zoveelste was, niet de laatste.
Ze zat rechtop in het hoge bed, een kussen achter haar rug en onder haar knieën.
‘De graslelie is het konijn van het plantenrijk,’ zei ik terwijl ik de stekjes in glazen gevuld met water zette. Per twee of drie, daarna op gelijke afstand op de vensterbank, evenwijdig aan het raam.
Ze zag me op mijn rug.
Ik haalde diep adem.
‘Dat van David,’ zei ik, ‘dat was niet waar hé?’
Er kwam niets.
‘Ik heb altijd gedacht dat het niet waar was.’
Een hoog gepiep, als van een vogeljong.
‘Heb ik gelijk, Steph?’
Nu lachte ze, ik kon horen dat ze haar hand voor haar mond hield. Ik draaide me om.
Ze zat te stralen in het bed.
‘Ik wist het!’ riep ze. ‘Ik wist dat jij ook gewoon een excuus zocht om bij hem weg te gaan.’
‘En jij hebt er mij een gegeven.’
‘En wat voor een!’ Ze sloeg haar handen voor haar gezicht van de pret. We konden nog wel degelijk herinneringen maken, blijkbaar. ‘Het mooiste was dat hij eigenlijk een rothekel aan mij had. Zoiets voel je. Maar hij deed zo zijn best het te verbergen. Hij wou zo graag tonen dat hij hield van zijn schoonzusje dat hem kort daarna een mes in de rug stak.’
Ik liep op haar af, schoof een stoel bij.
‘Omdat de rothekel wederzijds was?’ vroeg ik terwijl ik haar hand nam.
Haar lach verloor aan kracht.
‘Ook.’
Ik kneep zacht in haar vingers.
‘Maar vooral: wat moest ik doen als jij bij hem zou blijven? In mijn eentje doodgaan?’ vroeg ze.
Ik fronste, een fractie maar, maar ze zag het.
‘Ik voelde al dat ik ziek was, toen.’
‘Vier jaar voor de diagnose?’
Ze haalde haar schouders op, kreeg weer een binnenpretje maar had de energie niet meer om opnieuw te beginnen lachen. Ze keek me alleen aan, haar ogen koortsig en diep in haar bleke, gemene gezicht.
Ik kneep nog eens in haar hand, harder ditmaal, en legde hem naast haar op het bed.
Op weg naar de deur hoorde ik haar iets vragen of zeggen, maar ik reageerde niet. Ik sloot de laatste deur achter me, balde mijn vuisten en maakte, terwijl ik naar de auto liep, voor de laatste keer de balans op.