Toen de buurvrouw hem twee weken vóór de schoolvakanties de sleutel gaf, zei ze alleen: ‘Dan is het tenminste nog rustig.’
De eerste dagen raapte hij de post van de mat, vulde de gieter, gaf de planten water en legde de post op tafel voordat hij weer vertrok. Na zes minuten stond hij buiten.
De tweede week kwam de straat nauwelijks nog op adem. Uit de tuinen klonken kinderstemmen, opspattend water en ouders die voor de derde keer dezelfde naam riepen. ’s Avonds rook de buurt naar geschroeid vlees en boven de schuttingen kringelde blauwgrijze rook.
De deurklink gaf warm mee.
Binnen rook het naar potgrond. Het kraanwater verdween in de aarde. Toen hij bukte om wat gemorste druppels van het laminaat te vegen, werd het zwart voor zijn ogen. Hij trok zich aan de rand van het aanrecht omhoog. Hij dronk een glas water, liet het opnieuw vollopen en ging ermee op de stoel bij het raam zitten.
Ergens tikte hout.
Op het dressoir stonden tussen twee aardewerken pelikanen drie foto’s: een hond, twee mensen voor een kerk, een jonge vrouw op een deken in het gras met een peuter tegen haar schouder.
De verhuiswagen. Zijn dochter op haar knieën boven een hinkelbaan. De bal van zijn zoon die tegen de garagedeur ketste.
Het glas stond naast de post.
Hij trok de voordeur in het slot.
Meteen waren daar de kinderstemmen.