
Het was Dik gelukt – met een bijna bovenmenselijke wilskracht, al zei hij het zelf – zich uit zijn stoel te bewegen. Een zweetdruppel gleed over zijn gezicht, vlak voor zijn oor langs.
‘Wil nog iemand iets?’
Zus wilde een ijsje, zijn neef nog een flesje water.
Hij liep naar binnen, waar een zware hitte bezit genomen had van hun huis. Hij pakte waar hij voor kwam en ging snel weer naar buiten.
Zus hees haar arm loom omhoog om het ijsje aan te pakken.
Neef blies lucht tussen zijn lippen naar buiten en opende het blikje frisdrank. ‘Goede genade. Echt heel heet.’
Daar waren we het dan over eens. Denk ik. Het was moeilijk om nog normaal na te denken.
‘Die gekken hiernaast zijn gewoon aan het voetballen,’ zei neef Bas.
Ik hoorde inderdaad een bal stuiteren.
‘Niet goed snik,’ zei mijn zus terwijl ze het ijsje ontdeed van de plastic verpakking.
‘Sstt,’ siste ik, ‘niet zo luid. Je weet toch wie daar wonen.’
‘Ach,’ zei Bas, met een wegwerpgebaar.
Op dat moment kreeg hij een bal tegen zich aan, die via een voorzetje van zijn linkeroor via zijn schouder zo het net geopende blikje uit zijn hand tikte.
Bas vloekte luid en zond een aantal ziektes terug de schutting over.
‘Wat zeg jij daar?’ was het antwoord. Voetstappen, een poortdeur die openging, meer voetstappen. En opeens stonden een aantal leden van de lokaal beruchte familie Stam in onze achtertuin.
Ik slikte even. Waar is die bal? Ik stond snel op, griste de bal van de grond en hield hem voor me.
‘Hier jongens, hier is jullie bal terug!’
‘Wie riep dat net? Dat scheldwoord?’
We keken elkaar geschrokken aan. Ik kende de jongen niet, waarschijnlijk een neef van de buurman of zo.
‘Mijn pa is onlangs overleden aan die ziekte ja, dus het is heel kwetsend als je dat gewoon hier roept!’
‘Dat was mijn neef,’ zei ik. Die keek me boos aan. ‘Die weet dat niet. Ik zal erop letten dat hij het niet weer zegt.’
De jongen bleef boos kijken.
‘En hij woont hier ook helemaal niet hoor. Hij komt hier bijna nooit.’
Het conflict stond op het punt uit te breken. De zon brandde op mijn armen en nek.
Zus sprong tussenbeide en duwde haar ijsje in de mond van de jongen.
‘Krijg je een ijsje om het goed te maken, Siebe, oké?’
Ik kon mijn lachen niet inhouden, hoe die jongen daar stond met het ijsje in zijn mond.
De jongen, Siebe, groette mijn zus. Zijn woede was verdampt. ‘Is goed,’ zei hij en nam het ijsje aan. De Stammetjes verdwenen.
Wij zakten weer in elkaar op onze stoelen.
‘Bedankt hoor,’ zei mijn neef.
‘Sorry, ik ben niks waard in deze hitte. En jij ook niet trouwens. Een beetje ruzie zoeken met die malloten hiernaast.’
‘Laten we komende keren bij jou afspreken. Tot de hitte wat uit de lucht is.’