
Ik sta voor de voor deur. Mijn voordeur, in mijn straat. Links en rechts een doodnormale straat, met bloesem in de bomen. Het lied van een lijster maakt de zaterdagochtend compleet.
Na een paar dagen hard werk is de verhuizing compleet. Het ene hoofdstuk afgesloten, het andere geopend. Tijd om eens kennis te maken met de buren.
Ik bel aan bij nummer 28.
Een man doet open. Lekker casual gekleed in hemd, korte broek, slippers. Het haar in de war.
‘Ja?’
‘Ik ben de nieuwe buurman,’ zeg ik.
Zijn ogen worden groot. ‘Nummer 30?’
‘Dat klopt!’
‘Aangenaam, Bert!’
We schudden de hand en ik stel me ook voor.
‘Mag ik eens komen kijken?’
Dat mag natuurlijk, ik ga hem voor richting mijn eigen huis.
‘Trouwens,’ zegt hij. ‘Ik zag dat je gisteren het restafval aan de weg hebt gezet. Je moet er wel om denken de bak met de wieltjes van de weg af te zetten.’
Ik kijk hem aan.
‘Dat willen de jongens van de afvaldienst graag.’
Ik zeg dat het geen probleem is. Ik zal er om denken.
We lopen verder, maar bij de voordeur hoor ik hem weer: ‘Je moet die rozen snoeien. Anders krijg je veel minder bloemen. Henk was daar altijd heel precies in.’
‘Henk? De vorige eigenaar?’
‘Klopt. Heb je een tuinschaar?’
Die heb ik nog niet gekocht.
‘Wacht maar, ik haal de mijne wel even.’
Bert beent naar zijn eigen achtertuin. Ik sta even besluiteloos in mijn eigen voortuin. Dan is hij er weer.
‘Kijk,’ zegt hij, terwijl hij knielt bij de rozen en mij dichterbij wenkt, ‘je moet precies hier snijden.’
‘O ja,’ zeg ik en ik kijk mee. Ik was vroeger hovenier, maar ik wil niet onaardig zijn.
Ik laat Bert het huis zien. Wanneer we de woonkamer binnenlopen, roept hij: ‘Oh nee, die bank moet aan de andere kant, anders krijg je last van lichtinval op de televisie. Dat had Henk ook zo.’
‘Ik doe het zo,’ zeg ik. ‘Bovendien hang ik hier een verduisterend gordijn op, dan heb ik daar geen last van.’
Daar kijkt Bert van op. ‘Een verduisterend gordijn? Dat kan je toch niet doen.’
‘Waarom zou dat niet kunnen?’
‘Zo was het nooit.’
‘Zeg, dit is mijn huis hoor.’
Bert luistert niet meer, maar stond al aan één kant van de bank. ‘Help eens even mee.’
Ik heb al een stap genomen, voordat ik tot mijn zinnen kom. ‘Nee.’
Bert begint de bank opzij te slepen. Dan heb ik er genoeg van.
‘Zet terug,’ roep ik.
Bert krimpt in elkaar. ‘Ik wil je alleen maar helpen hoor,’ moppert hij.
Hij zet de bank wel terug, voordat hij naar buiten loopt.
Ik volg hem. ‘Bert,’ zeg ik.
Hij kijkt om.
‘Heb je toevallig een ladder die ik kan lenen? Ik wil de dakgoten vrij van bladeren maken.’
De buurman kijkt naar de grond. Hij is even stil. ‘Henk en ik hebben 20 jaar naast elkaar gewoond.’
Ik knik.
‘Een ladder heb ik wel. Ik haal hem wel even.’
Dan glimlacht hij: ‘Waar heb je anders buren voor?’
Een prettig leesbaar verhaal met levendige dialogen en een mooie opbouw. Met de zin dat hij twintig jaar naast Henk heeft gewoond, valt zijn gedrag op zijn plaats. Dat is een sterke, sobere onthulling. Als suggestie zou ik het slot net iets minder rond maken. Laat Bert bijvoorbeeld de ladder halen...