Op een boekenmarkt in Deventer koopt Kees voor twee euro een versleten Duitse roman. De verkoper weet niet waar het boek vandaan komt. Kees rekent af, stopt het in zijn tas en vergeet het.
Pas de volgende ochtend slaat hij het open. Er valt een gevouwen brief uit. Het papier is dun en vergeeld. De inkt is op sommige plekken vervaagd.
Kees leest de brief.
Lieve Eva,
Ik hoop dat je deze brief ontvangt voordat je vertrekt.
Ik heb gisteren slecht geslapen. Niet door zorgen, maar doordat Blondi twee keer aansloeg midden in de nacht. Uiteindelijk heb ik haar beneden laten slapen.
Je had toch gelijk over de nieuwe schoenen. Ze knellen nog steeds. Ik had naar je moeten luisteren.
Vergeet alsjeblieft niet een extra vest mee te nemen.
Ik heb de roman waar je mee bezig was uitgelezen. Het einde viel tegen. Misschien moet ik meer geduld met boeken hebben.
Schrijf me zodra je bent aangekomen.
A.
Dat is alles.
De regels lopen niet recht maar zakken langzaam naar beneden. Sommige letters zijn scherp en hoekig, andere lijken met een trillende hand geschreven. Hij vraagt zich af of dat iets betekent.
Op zijn laptop zoekt hij afbeeldingen van het handschrift van Hitler op. Hij print een paar voorbeelden uit en legt ze naast elkaar op tafel. De A lijkt erop. Of juist niet.
Een uur later weet hij niet veel meer dan daarvoor. Misschien is de brief echt. Misschien heeft iemand hem ooit geschreven als grap.
De dagen daarna blijft de brief in zijn woonkamer liggen. Af en toe leest hij hem. Niet omdat er iets nieuws in staat, maar omdat hij het gevoel heeft dat hij iets mist. Zijn hele leven heeft hij documentaires gezien, boeken gelezen en foto’s bekeken. Hij kent de toespraken, de marsen, de vlaggen, de menigten. Hij had geschiedenis verwacht, het gedreun van laarzen. Niet een man die klaagt over knellende schoenen.
Op donderdag neemt hij de brief mee naar zijn broer. Die leest hem zwijgend.
‘En?’ vraagt Kees.
Zijn broer haalt zijn schouders op.
‘Ik vind het eerlijk gezegd een beetje saai.’
Kees knikt. Dat is precies het probleem.
Die avond leest hij de brief opnieuw.
Hij blijft hangen bij dezelfde zin.
Je had gelijk over de nieuwe schoenen. Ik had naar je moeten luisteren.
Hij legt het papier neer.
Wat hem dwarszit, beseft hij ineens, is niet dat de brief misschien vals is. Wat hem dwarszit, is dat hij echt zou kunnen zijn. Dat iemand die verantwoordelijk was voor zoveel ellende ook over schoenen, koffie en tocht schreef.
De volgende ochtend belt hij een veilinghuis.
Een week later wordt de brief opgehaald voor onderzoek. Kees kijkt toe hoe de medewerker het papier in een map schuift.
‘Als hij echt is, kan dit behoorlijk bijzonder zijn,’ zegt de man.
Kees knikt. Dat weet hij ook wel.
Wanneer de voordeur achter de medewerker dichtvalt, blijft hij nog even in de gang staan.
Van alle zinnen in de brief denkt hij opnieuw aan dezelfde.
Je had gelijk over de nieuwe schoenen.