Zijn grote handen sluiten zich om zijn nek.
‘Ik zal je leren mij zo voor schut te zetten’, sist zijn vader. Jurgen zoekt
vertwijfeld naar hulp en kijkt richting de gang. Maar hij ziet zijn moeder
niet. Het personeel is naar huis en zijn broertjes en zusjes liggen allang
op bed.
Ze staan tegenover elkaar in de slaapkamer van Jurgen. Langzaam
drukt zijn vader zijn vingers met steeds meer geweld in zijn hals. Zijn
duimen zitten precies onder Jurgens adamsappel en dringen diep in zijn
keel.
‘Ik heb je op deze aarde neergezet, ik kan je er ook net zo makkelijk
weer van afhalen.’
Van de zware inspanning verschijnen er zweetpareltjes op zijn
voorhoofd.
Zijn fanatisme verrast Jurgen niet. Hij begrijpt alleen niet goed waarom
hij, als gevolg van wat hij heeft gezegd, hem zo kwaad heeft
gemaakt. Krachteloos probeert hij zich nog te verweren. Maar de handen
van zijn vader zitten als zware klemmen om zijn nek. Hij is groter en
sterker dan zijn zoon.
Jurgen is geen vechter.
Er komt een laatste gorgelend geluid uit zijn keel. Hij snakt naar verse
lucht maar het lukt hem niet meer om te ademen.
Zijn gezichtsvermogen wordt langzaam troebel. Het lijkt of er een dikke
mist ontstaat in zijn kamer. Draaierig en misselijk kan hij niet meer
onderscheiden wat er staat. Hij sluit zijn ogen.
Hij weet niet waarom, maar hij ziet zich weer zitten als jongetje op de
herenfiets van zijn vader op een mooie voorjaarsdag. Voorzichtig heeft
zijn vader hem op de middenstang van de fiets neergezet. Zijn beentjes
bungelen aan één zijde naar beneden. Hij krijgt een klein tikje op zijn
vingers omdat hij toch aan de fietsbel heeft gezeten terwijl zijn vader het
had verboden. Hij lacht ondeugend om het standje dat hij krijgt. Zijn
vader lacht terug. Een buurman steekt zijn hand op als ze hem voorbij
fietsen.
Jurgen hangt slap in de armen van zijn vader.
De grip om zijn nek wordt minder. Zijn vader laat hem eindelijk los en
slingert hem richting zijn bed. Meer dood dan levend valt hij op het
matras. Zijn vader verlaat driftig zijn kamer. Jurgen probeert rochelend
weer adem te halen tot zijn poging overgaat in een hoestbui waar geen
einde aan lijkt te komen.
De wurgpoging heeft de sfeer in huis er niet beter op gemaakt.
Iedereen ziet de zijden sjaal die Jurgen in huis draagt om de blauwe
plekken rond zijn nek te verbergen. Hij ziet zijn moeder er ook naar
kijken. Maar ook zij laat bewust achterwege er naar te vragen.
Het was niet voor niets dat werd bedacht om tante Marjo te benaderen of
hij daar een tijdje mocht logeren. Ze was een vrijgezelle dame, van het
strenge maar rechtvaardige type, en een zus van zijn moeder. Eigenlijk
was iedereen blij als hij er een weekje zou kunnen blijven. Misschien nog
iets langer. Dan had het gezin tijd om weer even wat af te koelen.
Er kwam een briefwisseling met Marjo.
Er werd daarin niet gesproken over de relatie tussen Jurgen en zijn
vader. ‘Begint hij niet wat oud te worden voor een logeerpartij bij zijn
tante?’ had Marjo eerst nog gevraagd.
De familiebanden waren niet dusdanig dat dagelijks de deur bij elkaar
werd platgelopen.
Maar nee, ‘Hij heeft zich ontwikkeld tot een hele nette jongeman met een
onberispelijk gedrag, brede belangstelling en goede studieresultaten’,
had zijn moeder teruggeschreven. ‘Hij is blij dat hij je weer eens
kan bezoeken en hij houdt ook van Rotterdam.’ In haar laatste zin vroeg
zijn moeder wanneer het bezoek Marjo het beste uit zou komen.
Uitgerekend op de dag dat de postbode de dagelijkse post aan Jurgen
overhandigt, zit daar ook het antwoord van zijn tante bij.
Enigszins teleurgesteld leest hij dat ze dan ‘rekent op de 29e om 17:55
op het Centraal Station in Rotterdam.’
Het is nu pas de 13e.
De spanning in huis is om te snijden en Jurgen wisselt nog nauwelijks
een woord met zijn vader. Eigenlijk zou hij wel weg willen uit zijn ouderlijk
huis. Misschien voorgoed. Hij wil ook nooit meer iets met zijn vader en
zijn werk te maken hebben.
Jurgen kijkt naar het sierlijke handschrift van zijn tante in de met
potlood geschreven brief.
In een eerste reactie schrikt hij van de gedachte die bij hem opkomt.
Hij denkt een uurtje over de gevolgen na. Want als het zou lukken is het
daarna ook niet meer terug te draaien. Hij neemt de brief mee naar zijn
kamer en gaat achter zijn bureau zitten. Zou hij deze stap aankunnen?
Hij bekijkt zichzelf in een klein spiegeltje en kijkt rond in zijn kamer.
Hij neemt een beslissing en pakt een rood gummetje.
Voorzichtig gumt hij de 2 helemaal uit, tot er niets meer van is te zien. De
korreltjes gum die overblijven veegt hij zorgvuldig met zijn hand weg. Hij
schat de hardheid van het potlood dat zijn tante heeft gebruikt. Hij oefent
een paar keer zo goed mogelijk. Dan zet hij een mooie 1 op de
vrijgekomen plek. Precies dezelfde 1 als die Marjo had gebruikt in
de aankomsttijd.
Jurgen kijkt na zijn correctie nogmaals in de spiegel. Dan stopt hij de
brief terug in de envelop en loopt er mee naar zijn moeder.
‘Ik heb hem al opengemaakt’, zegt hij. ‘En ze kan de 19e’.
Zijn moeder leest de brief. ‘Dat is snel’ zegt ze. ‘Dan zullen we van de
week wat inkopen voor je gaan doen. Volgens mij heb je in ieder geval
een nieuwe koffer nodig.’
De reis is de afgelopen dagen zorgvuldig gepland. Ook Jurgen heeft zich
voorbereid op het vertrek.
Ze vermoeden niets van zijn plannen maar hij heeft de afgelopen week
afzonderlijk afscheid genomen van zijn jongere broertjes en zusjes. Hun
gesprekjes gingen over goed zijn voor andere mensen en dat ze hun
best moesten doen op school. Ze hadden geen idee waarom hij ze zo
lang omhelsde. Ze wisten ook niet waarom hij zich daarna enigszins
geëmotioneerd uit de voeten moest maken.
De laatste dagen voor zijn vertrek vlogen voorbij.
Jurgen heeft nog wat te lezen toegevoegd aan zijn koffer en ook wat
kleine dingen waarvan hij denkt dat hij ze mogelijk nodig kan hebben als
hij op zijn eigen benen staat.
Dan is het moment aangebroken.
Zijn vader heeft het druk en is nergens te zien. Jurgen heeft van hem
geen afscheid genomen. Hij kon zich er niet toe zetten. Hij had hem ook
niets te zeggen. Excuses mocht hij natuurlijk niet verwachten. Maar
gevoelsmatig vindt hij dat zijn vader best had mogen nagaan of na zijn
hardhandige optreden alles weer goed ging met zijn zoon. Waarom zou
een vader zo hardvochtig moeten zijn.
Zijn moeder geeft hem een kus. Hij geeft haar er aarzelend één terug.
Jurgen weet dat zijn vader een goede relatie tussen hem en zijn moeder
in de weg staat. Hij weet ook waarom ze achter haar man staat.
Hij steekt zijn hand op bij het vertrek.
‘Heb je alles bij je? Je portemonnee? Je persoonsbewijs?’
Jurgen knikt.
De chauffeur van de dienstauto van zijn vader bergt de koffer op in de
achterbak en sluit het portier naast Jurgen. Hij start de auto. Langzaam
rijden ze over de oprijlaan van het landgoed. Aan het einde er van opent
een Duitse soldaat een metalen hek. Ze slaan rechtsaf, de
Benoordenhoutseweg op.
De chauffeur zal Jurgen afzetten bij Station Hollands Spoor. Hij koopt
een enkeltje naar Rotterdam en geeft een kruier een fooi nadat hij hem
heeft gevraagd de koffer van Jurgen naar het juiste perron te brengen.
Als Jurgen veilig achter het raam van zijn coupe zit, wenst de chauffeur
hem als laatste een goede reis. Hij tikt tegen zijn pet bij het afscheid.
Zonder tegenbericht is de afspraak dat hij over een week op hetzelfde
tijdstip weer terug is. Dan verlaat de chauffeur het perron.
Jurgen opent de deur van zijn treinstel en haast zich weer naar buiten.
De koffer is zwaar maar goed te dragen. Voorlopig is het zijn laatste
bezit.
Naast hem zet de trein naar Rotterdam zich in beweging.
Hij vermijdt Duitse soldaten. Omdat hij zich misschien moet identificeren
durft hij hier geen nieuw kaartje meer te kopen. Hij wil geen sporen
achterlaten. Langzaam loopt Jurgen het station weer uit. Hij kijkt om zich
heen. Dan haalt hij zijn persoonsbewijs met de door hem zo gehate
achternaam uit zijn zak, verscheurt het in kleine snippers en gooit het
met zijn treinkaartje in een prullenbak.
Hij ziet een tram naar Leiden klaar staan voor vertrek. Met een klein
sprintje holt hij er naar toe.
‘Haastige spoed is zelden goed!’ zegt de bestuurder van de tram in een
goede bui. ‘Maar voor de jeugd willen we nog wel een uitzondering
maken.’
Jurgen geeft geen antwoord. Zijn hart klopt in zijn keel. Hij koopt bij de
conducteur een kaartje naar het Leidse station en zet de koffer naast
zich neer.
Het is begonnen.
De tram vertrekt met de nodige herrie. Echt veilig is hij pas als hij in
Leiden de trein naar Utrecht of Amsterdam heeft genomen. Vandaar ziet
hij wel weer verder.
Hij voelt zich alsof hij uit een gevangenis is ontsnapt.
Jurgen doet zijn ogen dicht en denkt terug aan het laatste bezoek van
Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart.
Zijn vader is de afgelopen jaren goed met hem bevriend geraakt. De
hoogste bestuurder van het land kwam, net als Anton Mussert, vaak bij
hen over de vloer. Toen zijn bunker werd gebouwd in Clingendael en ze
feitelijk buren werden, logeerde Seyss-Inquart regelmatig in het landhuis
van zijn ouders.
Aan de eettafel ondernam hij wel eens pogingen om Jurgen over te
halen om een actieve rol binnen één van de jeugdorganisaties van de
NSB op zich te nemen. Jurgen probeerde in zijn beste Duits uit te leggen
dat hij met zestien nog te jong was en zich moest richten op zijn studie.
Toen de Rijkscommissaris een paar weken terug sterker aandrong
omdat er organisatorische werkzaamheden waren te doen bij de
Nationale Jeugdstorm, liet Jurgen zich ontvallen dat hij geen liefhebber
was van oorlog en geweld. ‘Ich mag den Krieg nicht so sehr’ had hij
gezegd. Toen er een ongemakkelijke stilte viel zei hij er bij: ‘Ich mag
Frieden lieber’.
De ogen van zijn vader schoten vuur en zijn moeder bood geschrokken
aan de koffietafel in orde te laten maken. Maar Seyss-Inquart had het
sportief opgevat. ‘Aber woran bist du denn interessiert?’ vroeg hij.
Jurgen had hem na het diner zijn omvangrijke collectie spulletjes en
traditionele kleding laten zien die hij had gekregen van een oom die uit
Indonesië was teruggekeerd.
De Rijkscommissaris toonde oprechte belangstelling. Hij stelde vragen
over de kolonie. Ontegenzeggelijk was hij altijd correct en hoffelijk tegen
de oudste zoon van zijn gastheer.
Zijn uitspraken aan tafel tegen Seyss-Inquart waren de aanleiding dat
zijn vader zo furieus was geworden.
Niet eens bewust irriteerde hij zijn vader al langer. Eigenlijk al vanaf de
eerste dagen van de oprichting van de NSB. Weliswaar zei de politieke
boodschap hem in eerste instantie uiteraard nog niets. Maar Jurgen hield
als kleine jongen niet van de bijeenkomsten, het vlagvertoon en de
sfeer die er hing. Hij vond er ook geen vriendjes. De eerste keer dat hij
ging kamperen met leeftijdsgenootjes van NSB-ouders werd hij
halverwege de vakantie al weer naar huis gebracht. Hij at niet, werd
gepest en deed niet goed mee aan de activiteiten.
Terwijl zijn vader steeds belangrijker werd binnen de partij en zijn gezin
op de voorgrond wilde plaatsen, zocht Jurgen naar mogelijkheden om
zich daaraan te onttrekken. Hij slaagde daar steeds meer in. Uiteindelijk
nam hij, tot grote ergernis van zijn vader, aan geen enkele activiteit nog
deel.
Vanaf het moment dat Jurgen naar de HBS ging ontstond er ook meer en
meer een politiek besef waarom hij niet thuishoorde bij de NSB. Toen
een jaar later de Duitsers Nederland binnenvielen vond hij dat net zo
verschrikkelijk als de meeste andere Nederlanders. Door de rol van zijn
vader binnen de NSB kon hij zich alleen zo niet uiten. Uit angst voor de
Duitsers en de NSB werden al snel moeilijke discussies op school en in
het openbaar gemeden. Hij begreep dat medeleerlingen en docenten
hem anders dan voorheen bekeken. Jurgen voelde haarfijn aan wat er
speelde en begon zich langzaam maar zeker terug te trekken uit het
maatschappelijke leven. Dat proces werd versneld doordat de Duitsers
het schoolgebouw vorderden en er geen les meer kon worden gegeven.
De paar schoolvrienden die hij nog had verdwenen uit het zicht. Feitelijk
hield hij niet veel meer over.
Eerder had hij geweigerd om naar de Reichsschule in Limburg te gaan,
een eliteschool voor bovenmatig getalenteerde middelbare scholieren,
bedoeld voor kinderen van kaderleden van de NSB met een rotsvast
geloof in het nationaalsocialisme.
Zijn vader had hem buiten zijn medeweten om al opgegeven maar
Jurgen had gehuild en geschreeuwd dat hij op zijn school in Wassenaar
wilde blijven. De ruzie eindigde redelijk abrupt in de slaapkamer van
Jurgen. Op zijn bureau had hij een map liggen waarop stond ‘Mijn Boek.’
Zijn vader pakte het op, bladerde het door, las passages. Het waren
onschuldige aantekeningen, pogingen om een verhaal uit een
fantasiewereld te bedenken en op papier te zetten.
‘Ben je er zo één’ zei zijn vader uiteindelijk. ‘Wil je schrijver worden.’
Onderzoekend keek hij zijn zoon aan. Jurgen durfde niet te reageren,
bang dat zijn vader alles zou verscheuren. Misschien dacht zijn vader bij
het lezen van de notities ook aan zijn eigen reputatie.
Maar de Reichsschule was van de baan.
Nadat de school door de Duitsers was gevorderd kwamen op verzoek
van zijn ouders regelmatig afwisselende HBS docenten over de vloer om
een paar uur les te geven. Jurgen wilde aardig zijn maar de leraren
waren nooit op hun gemak.
‘Het ligt niet aan jou, jongen’ had een docent Nederlands eens een keer
samenzweerderig tegen hem gezegd. Hij keek om zich heen om te zien
of niemand hem kon horen en boog zich naar Jurgen toe. ‘Ik vind het
voor jou misschien nog wel het allerergste’ sprak hij zachtjes. ‘Dat meen
ik uit de grond van mijn hart.’
De uitspraak had Jurgen veel stof tot nadenken gegeven.
Met een schokje stopt de tram bij het Leidse station. Jurgen doet zijn
ogen weer open en kijkt uit het raam. Op en rond het Stationsplein staat
het vol met soldaten die iedereen controleren die naar de treinen wil
gaan. Er is geen ontkomen aan.
“Je hebt toch een kaartje tot hier gekocht?” vraagt de conducteur.
Jurgen grijpt zich vast aan zijn stoel. Een lichte paniek maakt zich van
hem meester.
“Heb je zoveel te vrezen van de Duitsers?” vraagt de conducteur
verbaasd.
Jurgen knikt langzaam.
De conducteur kijkt om zich heen. De tram is inmiddels bijna leeg. Hij
buigt zich over Jurgen heen.
“Denk je dat ze je zullen oppakken? Heb je wat uitgehaald?”
Bang voor alles dat zou kunnen leiden tot een confrontatie als hij nu naar
buiten zou lopen, wendt Jurgen zijn gezicht af. Er valt een korte stilte.
De conducteur aarzelt. “Met je fijne kleren, je dure koffer en je haar zo
netjes geknipt zou je dat niet verwachten. En je lijkt me nog te jong om
naar Duitsland gestuurd te kunnen worden om te werken.”
“Ik wist niet dat je arm moet zijn om je tegen de Duitsers te verzetten”
zegt Jurgen uiteindelijk.
De conducteur neemt hem op van top tot teen en maakt een afweging.
“Ik stel voor dat je blijft zitten in deze tram, we gaan over drie minuten
weer weg via de Stationsstraat, richting de Haarlemmerstraat. Het einde
van die straat is ook het einde van deze lijn. Als je daar doorloopt, de
brug bij het Havenplein overgaat, de Haven afloopt en richting de
Zijlpoort gaat, zit daar café De Uijl. De kroegbaas is een neef van mij,
Evert. Zeg dat Leo je heeft gestuurd. Zeg hem ook dat ik gezegd heb dat
je even uit het zicht moet blijven. Je koffer moet worden verborgen en er
moet wat worden gedaan aan je kleding. Ik neem binnenkort contact met
hem op. Soms heeft hij wel eens een jongen nodig voor wat
werkzaamheden. Zou je daar mee kunnen leven?”
Opgelucht haalt Jurgen adem. Een andere keus heeft hij ook niet.
“Bedankt.”
“Alvast veel succes” zegt de conducteur. “En leve de koningin.”