
‘Ze moesten ze doodschieten, allemaal.’ De man, die uit de woning met nummer 93A komt, kijkt mij aan en steekt vervolgens zijn mening niet onder stoelen of banken. ‘Ik zeg dat die aanslagplegers alleen maar stoppen met hun teringbommen als ze weten dat ze de kogel kunnen krijgen, eerlijk waar.’
Ik ben een klein overdekt portiekje binnengestapt om te schuilen voor de regen als zijn deur opengaat.
Enigszins verbouwereerd probeer ik de gemoedsrust te peilen van de man die mij aanspreekt. Ik kan hem voorbijlopen en de regen weer in gaan. Misschien heb ik gewoon met een gevaarlijke gek te maken. Maar zo ziet hij er niet uit. En daarom kies ik er voor om met wat vriendelijke woorden en “Treurig weer vandaag” hem wat te kalmeren. Misschien krijg ik zijn bloeddruk wat naar beneden.
Ik sta voor nummer 93 maar de vriend bij wie ik langs wil gaan woont op nummer 99B.
‘Ja ja. Het lijkt inderdaad wel een plaag’ geef ik wat ruimte aan de conversatie.
De man kijkt mij van de zijkant aan.
“U verhuurt nummer 93 al een paar jaar aan drie studenten. Misschien kan het u niet schelen, als ze maar de huur betalen en niks mollen, nietwaar? Ik geloof wel dat ze ergens studeren, maar ik noem het eerder van die alternatieve nep-studenten. Maar zo zien ze er natuurlijk niet uit, als ze een kamer van je willen huren. Een bakfiets voor de deur. En wie weet wat daar ’s nachts binnen allemaal gebeurd.’
God, ik word aangezien als de huisjesmelker. Ik kijk door een aangrenzend raam naar binnen. Er is niemand. Het ziet er op zich vrij opgeruimd uit. Het huis misstaat niet in de straat.
“Het lijkt er niet op dat u veel last van ze heeft?” constateer ik. Ik ga niet in op de status die hij mij toebedacht heeft. Ik krijg wel een visioen van een prins met een te grote bril die klaagt over de belastingdruk in Nederland.
‘Nou, met die muziek kan het wel eens wat zachter. En er komen wel eens mensen over de vloer. Mensen, laat ik het zo zeggen, die er bij mij niet in komen. Zocht u eigenlijk wat bijzonders bij ze, nu ze alle drie op de uni zitten?’
Hij denkt dat ik uit de woning kwam zetten. Kan ik dat nog rechtbreien?
‘Nee, nee,” aarzel ik. “Soms heb ik het idee dat het wel eens wat hectisch kan zijn, het blijven ten slotte studenten. Maar u heeft nooit gemerkt dat ze soms vuurwerk afsteken of daar heel erg in geïnteresseerd zijn?’
Ik krijg een wat unheimisch gevoel, als ik zo over drie jongelingen spreek die ik helemaal niet ken. Maar ik ben nu wel benieuwd geworden waar de buurman naar toe wil.
‘Nee...’ Nadenkend krabbelt de man van nummer 93A door zijn haar. ‘Ik zeg het, het enige vuurwerk dat hier in de wijk is afgegaan was zo’n cobra bij nummer 127A. Een klap dat dat gaf. Alle ruiten er uit. Ik lieg het echt niet hé. Van aan de ene kant tot 119. En aan de andere kant tot 135. En die deur lag er uit. Helemaal uit zijn hengsels. De gang was volledig zwartgeblakerd. Zeker zestigduizend euro schade. Daarom zeg ik: doodschieten.’
Langzaam buigt hij zich naar mij toe.
“Heeft u binnen nog iets zien liggen? Ik moet toegeven…” hij kijkt wat schichtig om zich heen, “…die ene met die bril en dat blauwe haar aan één kant. Ik geloof eerlijk gezegd dat hij een wapen heeft. Dat ik hem er mee heb gezien. Iets zwarts.”
Hij duwt de deur van zijn eigen woning verder open en trekt mij naar binnen.
“Maar u heeft het niet van mij. Ik vind wel dat u het moet weten, als verhuurder. Dat u het kunt doorgeven aan de politie als dat nodig is.”
Ik sluit mijn ogen. Dit is het laatste dat ik had willen horen.
“Weet u wat het is?” gaat de man onverstoorbaar verder. “Het gaat vast ter sprake komen op een ingelaste vergadering van de VVE. U bent daar natuurlijk ook. En dan krijgen straks niet die studenten maar u de schuld. Want u verhuurt het. En dan is uw belegging in dat huis ook aan gort.”
We gaan als mensen die elkaar al langer kennen uit elkaar. Ik zeg hem dat ik nu verder geen tijd heb maar dat ik hem graag morgen nog even wil bellen.
Hij noteert zijn nummer op de achterkant van een rekening van een supermarkt.
“Dan zie ik u de tiende op de vergadering,” steekt de man zijn hand nog naar mij op.
De volgende dag neem ik contact met hem op. Ik leg hem het misverstand uit en waarom ik hem niet direct kon inlichten.
Het blijft een tijdje stil aan de andere kant van de lijn.
“Bent u er nog?” vraag ik.
“Het is toch niet nodig dat u mijn naam noemt?” zegt hij ten slotte.
“Nee” zeg ik langzaam. “Zeker niet in eerste instantie.”
Hoorbaar verraden legt hij de telefoon weer neer.
Ik roep twee collega’s bij mij op de werkvloer.
“Gevalletje mogelijk aanwezige cobra-bommen en mogelijk verboden wapenbezit. De Genestetstraat 93. Woning van studenten die wellicht wat aan de illegale kant bijverdienen. De melder is niet helemaal objectief, maar het is genoeg om even te gaan kijken."
Mooi hoe je de vergissing niet als gimmick gebruikt, maar laat uitgroeien tot een situatie met echte gevolgen. Daardoor blijf je benieuwd hoe dit gaat aflopen. Een originele en onderhoudende invulling van de opdracht. Goed gedaan.