Na de uitvaart blijft Martin nog drie dagen in het huis van zijn moeder.
De makelaar komt maandag. Voor die tijd moet het leeg.
Hij werkt kamer voor kamer af. Eerst de slaapkamer, daarna de zolder. Op zondagmiddag komt hij in de keuken terecht. Hij haalt vergeelde gebruiksaanwijzingen uit een la, een garantiebewijs van een koelkast die allang vervangen is, een doosje waterbestendige pleisters.
Onder een stapel placemats ligt een dichtgeplakte envelop. Zijn naam staat erop. Hij herkent meteen het handschrift.
Het adres is dat van zijn eerste woning. In de rechterbovenhoek zit een postzegel met Beatrix in puntjes. Er staat geen stempel op.
Hij gaat aan de keukentafel zitten. De tafel wiebelt nog steeds als je je ellebogen erop zet. Vroeger schoof zijn moeder een opgevouwen luciferdoosje met een zwaluw onder een van de poten. Als de poot op de vogel stond, draaide hij het doosje om zodra zijn moeder de kamer uit was.
Hij opent de envelop.
Lieve Martin,
Je bent nog maar drie dagen weg en ik loop voortdurend een kamer binnen om iets tegen je te zeggen. Vanmorgen wilde ik vragen of je de vuilnisbak aan de straat had gezet. Pas in de gang bedacht ik me dat je hier niet meer woont.
Hij schudt zijn hoofd. Nog altijd 'bedacht ik me'. Keer op keer had hij zijn moeder erop gewezen.
De kat ligt voor jouw deur. Ik heb hem twee keer naar beneden gedragen. Hij loopt steeds terug.
Martin kijkt naar buiten.
Op het pad naar de schuur liggen nog dezelfde stoeptegels als vroeger. Zijn vader heeft ze ooit zelf gelegd. Hij herinnert zich het monotone geluid van de rubberhamer, af en toe even onderbroken door het gepiep van de kruiwagen. Nu staan er plassen tussen de tegels.
Hij leest verder.
Je blauwe beker met het afgebroken oor staat in het afdruiprek. Er zat niets in. Ik heb hem toch afgewassen.
Hij legt de brief neer.
Naast de koelkast staat nog steeds het krukje waarop zijn moeder zat als ze aardappels schilde of sperziebonen schoonmaakte. De zitting is ingedeukt aan één kant.
Hij probeert zich te herinneren wanneer hij uit huis ging. Vijfendertig jaar geleden.
Hij leest verder.
Ik wilde je niet lastigvallen toen je vertrok.
Iedereen zegt dat kinderen nou eenmaal vertrekken. Dat is ook zo. Maar gisteren heb ik twee karbonades uit de vriezer gehaald. Pas toen ze in de koekenpan lagen, zag ik dat het er één te veel was.
Martin glimlacht even. Zijn moeder kon nooit voor één persoon koken. Na de dood van zijn vader bleef ze porties maken voor een gezin.
Ik maak me geen zorgen om je. Dat probeer ik tenminste niet te doen. Maar als het donker wordt en ik in bed lig, wacht ik of ik je hoor thuiskomen. De sleutel in het slot. Je schoenen die op de vloer vallen. En dan weet ik
Dat is alles. Hij kijkt in de envelop. Leeg.
Hij zoekt in de la. In de kastjes. Tussen oude recepten en theedoeken.
Tegen de avond zet hij twee dozen in de hal naast de voordeur. Een voor de kringloop, de andere voor het oud papier. Bovenop ligt de envelop met de brief.
Hij loopt naar de achterdeur en kijkt de tuin in. De regen is opgehouden. De plasjes op het tegelpad zijn weggezakt.
Na een tijdje loopt hij terug naar de hal.