Dirkje kon met gemak een Fokker 50 van een Fokker 100 onderscheiden.
Hij wist ook dat de Airbus A300-600F een van de eerste breedrompvliegtuigen was die volledig als zuiver vrachttoestel ontworpen werden.
We stonden vaak aan de metershoge, metalen omheining waarop prikkeldraad bevestigd was, laag gebrul boven onze achterover gekantelde hoofden.
We zagen de vuilwitte buiken voorbijschuiven, Dirkje met opgeheven armen, alsof ze binnen zijn bereik lagen.
Ze kwamen in een rechte lijn op ons af met tussenpozen van zeven of acht minuten en altijd weer dacht ik deze gaat te laag, deze haalt de baan niet, nu zijn we er geweest en misschien dacht Dirkje dat ook, wie zal het zeggen.
Mij lieten de vliegtuigen koud. Ik ging met hem mee voor de ritten, heen en terug. Dirkje achterop mijn Piaggio Zip, zelf gekocht en opgedreven. Zijn daverende lach deed de wereld altijd heel even meedaveren.
Heel ver woonden we niet van de landingsbanen, een halfuur met mijn volgeladen brommer. Voor Dirkje, toen dertien, was het net te ver om er op zijn fiets heen te rijden die altijd wel iets mankeerde.
Gooi hem niet zo op de grond, zei Het Alarm om de zoveel tijd.
Ik heb geen pootje, antwoordde Dirkje dan.
Omdat het afbreekt als je hem op de grond gooit, riep Het Alarm.
Die discussie weer, zei De Jager. Wat was eerst: de kip of het ei? En hij grinnikte.
Maar als je Dirkje een tik gaf, blies hij zich in één keer op, zoals een airbag.
Het Alarm zei dat dat door zijn migraineaanvallen kwam, die zijzelf ook had.
Ze waren niet altijd Het Alarm en De Jager geweest. Dat waren ze pas geworden toen zij, onze moeder, haar werk als inpakster bij NV Vanoutryve verloren was omdat ze te graag in bed lag.
Om de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet op dezelfde manier teleur te stellen, had ze een wekker gekocht met een buitengewoon slopend alarm. Op woensdag om tien over acht ’s ochtends ging dat ding af, voor haar het signaal om te beginnen jammeren, voor De Jager het signaal om naar boven te stampen, voor Dirkje en mij het signaal om ons uit de voeten te maken.
Soms hoorden we De Jager nog vragend roepen waar haar stempelkaart gebleven was, gevolgd door gestommel.
Hem waren we De Jager beginnen noemen uit creatieve armoede; het was gewoon onze gedeelde familienaam en had niets te maken met zijn werk als ruimer.
Tijdens één van zijn uitbarstingen nam ik Dirkje mee achterop, knetterend, zwijgend, tot de bocht waarachter de woningen schaarser, de wegen verlatener waren. Vanaf dat punt begon hij meestal weer over rolroeren, turboprops, straalmotoren.
Toen was het anders. Hij zei geen woord tot de controletoren te zien was en hield dat vol tot we er voorbij gereden waren. Pas toen beval hij me te stoppen, ongeveer een kilometer van de plek waar we ze meestal spotten.
Daar werkte hij me tegen de grond en zag ik zijn vuisten als zwarte hemellichamen aarzelen, dansen in het zonlicht.
Wat? riep ik. Dirkje! Wat heb ik jou misdaan?
Wil je mij dood, wil je mij dood misschien, ja je wil mij dood! riep hij buiten zinnen.
Ik wil je niet dood! riep ik terug, mijn stem overslaand van schrik en ergernis.
Hoe je die bocht nam, je bent gek! Je wil mij dood, klootzak.
Hij stompte me op mijn neus met zijn knokkels, zachter dan hij kon, harder dan gerechtvaardigd was.
Mijn handen graaiden in de lucht naar zijn gezicht dat hij te veraf hield. Lauw bloed liep langs mijn wangen omlaag, mijn oren in, zodat er overal een demper op kwam – het vliegtuig dat een eind verder aan het landen was, zoemde als een insect.
Hoe meer hij stompte, hoe minder overtuigd het voelde, maar de pijn schoot omhoog langs mijn neusbotje, recht naar mijn schedel.
Toen hij rechtstond, grijnsde hij en wou hij naar de Zip lopen, maar ik strekte mijn been en hij ging vol tegen dek. Vloekend kwam hij overeind en trapte keihard tegen mijn heup, waarna ik me opkrulde om de rest van de schoppen te incasseren.
Even later ging hij ervandoor op de Zip. Ik wist zelfs niet dat hij die kon besturen en het mocht natuurlijk ook helemaal niet.
Hij praatte nog wel over nieuwe straalmotoren en over hoe hoogtechnologische snufjes de vliegtuigen een nieuw tijdperk induwden. We stonden nog wel aan de omheining, onze hoofden in onze nek, Dirkje nog altijd kleiner maar sterker en sinds het gevecht ook stiller. Maar zijn lach schalde niet meer over de wegen die naar de landingsbanen leidden, de wereld klaterde niet meer als we op mijn brommer huiswaarts reden – de brommer die ik netjes in de garage had aangetroffen nadat ik beurs geslagen naar huis gestrompeld was.
Mijn neus was nog twee weken blauw en geel, mijn borstkas en armen deden pijn bij elke inspanning, maar we repten er met geen woord over.
Hij omdat hij aan de conflicten met Het Alarm en De Jager genoeg had, ik omdat ik daarmee hoopte terug te krijgen wat ik kwijt was.
In de maanden die volgden sloot Dirkje zich steeds vaker op zijn kamer op met zijn migraineaanvallen. Ik ging er almaar vaker alleen met de brommer op uit, cirkelend rond het omheinde gebied waar vliegtuigen zoals voorheen opstegen en neerdaalden.
Ik wou er niet per se heen maar kwam er altijd weer terecht.
Geen enkel vliegtuig kon ik benoemen; ik had nooit geluisterd naar Dirkje.
Op een onweerachtige avond kwam ik thuis van een zoveelste zinloos ritje toen ik Dirkje op zijn rug in de zetel aantrof, de muis van zijn hand bonkend tegen zijn voorhoofd, zijn hielen in de kussens geduwd.
‘Ik denk dat er iets mis is,’ zei hij en toen hij naar me opkeek, zag ik het ook. Zijn ene oog keek naar mij, het andere uit het raam. Het was zich aan het lostrekken, speurde de hemel af, sloeg geen acht op ons.
Achterop mijn brommer omklemde Dirkje met beide armen mijn middel. Zo behoedzaam mogelijk reed ik in een richting die we niet kenden.
Tijdens de dagen die volgden werd vastgesteld dat Dirkje geen migraine had. Wat hij wel had, moest eerst krimpen, dan weggesneden worden en vervolgens verhinderd worden terug te komen. Alleen zo kon hij ook weer zichzelf worden, en niet de opvliegende Dirkje die zich in vuistslagen uitdrukte.
De dokter keek ons beurtelings vragend aan.
Het Alarm huilde en De Jager versteende, zijn armen voor zijn buik gekruist. Geen van beiden zei iets over Dirkjes gedrag, alsof ze niet wisten waar het over ging.
Ik kocht het Overzicht van Moderne en Historische Vliegtuigen voor hem, een dik boek met een harde kaft en een gouden leeslint. Hij legde het op het verrolbare kastje naast zijn bed. Aan de andere kant van het gordijn lag een man onophoudelijk te zuchten. Toen ik naar Dirkje keek, haalde hij zijn schouders op.
Rond zijn hoofd zat een dik verband waaruit een drain stak.
Ik vroeg niet hoe hij zich voelde, dat zag ik zelf ook wel.
Wanneer De Jager met me meeging, deed hij niets anders dan varianten verzinnen op de zin dat het wel goed zou komen.
Hoe weet je dat, wou ik vragen, maar ik deed het niet met Dirkje erbij.
Het Alarm ging ook soms mee, maar had het elke keer zo moeilijk dat Dirkje haar op een keer vroeg om weg te gaan, en toen ze blijven zitten was had hij het Overzicht van Moderne en Historische Vliegtuigen in haar richting gesmeten, maar ze dook weg en het kwam met een klap op de grond terecht.
De man aan de andere kant was heel even gestopt met zuchten.
Ik loop tegenwoordig vaak langs de dikke muur naast de weg die we destijds met de Zip bereden.
We stopten er nooit. We zagen de kruin van de cipres niet achter die muur, traag wiegend als er wind is. We liepen niet door de toegangspoort, volgden het grindpad niet waarop gebogen gestalten lopen, op zoek naar onkruid om te wieden, emaillen foto’s om op te blinken, bloemen om te herschikken. We hielden nergens halt, vouwden onze handen niet, sloten onze ogen niet.
In de plaats daarvan reden we verder tot de plek waar we konden denken deze gaat te laag, deze haalt de baan niet, nu zijn we er geweest.
Geen cursus nodig, hoor. Interessant verhaal, proficiat. Heb het graag gelezen en de aanhalingstekens niet gemist. Het was zo ook duidelijk