
Voor wie hem nog niet kent: Het Vertelvuurduiveltje | Edwin | VertelVuur
‘Tony, help!’
Ik voel het vertrouwde duiveltje tegen mijn rug opkruipen naar mijn linkerschouder, onkarakteristiek traag. ‘Wat is er?’ zucht hij.
‘Ik zit vast met die ufo-uitdaging, kan ik echt niks voor bedenken. Sci-fi is niet mijn ding.’
Het wezentje kijkt verveeld naar het scherm. ‘Het hoeft helemaal niet over ufo’s te gaan, lees nou eerst zelf eens goed.’
‘Nee, dat weet ik ook wel. Maar met dat elkaar-nodig-hebben, en iets bijzonders zien… ik kan er niks bij verzinnen. Niet binnen de grenzen van de uitdaging.’
‘Dat hoeft ook niet. Er-zijn-hier-geen-straffen, weet je nog?’ Zijn toon maakt duidelijk dat het concept van straffeloosheid hem tegenstaat.
‘Ach kom, wil je me alsjeblieft helpen? Jij hebt veel meer fantasie dan ik.’ Gek genoeg blijkt het duiveltje altijd extreem hulpvaardig, en ik maak er onbeschaamd misbruik van.
Tony geeuwt. ‘Ik bén jouw fantasie. Oké. Niertransplantatie van vader op dochter, dubbele operatie. Dochter heeft out-of-body-ervaring en ziet iets wat helemaal niet kan. De dag na de operatie praten ze erover in het ziekenhuis.’
‘O, daar zit wel muziek in! En wat voor bijzonders ziet ze dan?’
‘Haar moeder houdt de hand van haar vader vast tijdens de operatie. Alleen die moeder is al jaren dood. De vader blijkt haar nog regelmatig te zien.’
‘Tony, je bent geweldig!’
‘Het zal wel. En noem me geen Tony.’ Hij zegt het lusteloos, terwijl hij normaal altijd zo heftig reageert.
‘Wat mankeert jou, ben je een duiveltje met een burn-out?’ Ik glimlach om mijn eigen grapje, maar Tony kijkt minachtend.
‘Je betere grappen komen niet van jezelf, maar dat wist je al.’ Hij maakt aanstalten zich weer langs mijn rug af te laten glijden.
‘Maar serieus, is er iets wat ik voor je kan doen om je op te vrolijken?’
Tony zegt niets, maar kijkt veelbetekenend naar mijn rechterschouder.
‘Ehh… ik zie niks?’
‘Nee, precies…’
‘O wacht. Jij op links, dan hoort er op mijn rechterschouder een engeltje te zitten, bedoel je dat?’
Tony rolt met zijn ogen. ‘Denk even na. Ik kom uit jouw fantasie, denk je dat daaruit een engeltje zou voortkomen om mij gezelschap te houden?’
Ik moet toegeven dat het onwaarschijnlijk is. Nog voordat ik mijn gedachten goed en wel geordend heb, voel ik iets langs mijn rug omhoog kruipen naar mijn rechterschouder. Ik kijk en mijn mond valt bijna open. Net zo klein als Tony, met dezelfde vleugels en gevorkte staart, maar veel lichter van kleur – bijna wit. Met hoge hakken en netkousen.
Tony’s lamlendigheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. Zijn oogjes fonkelen, en hij steekt over van mijn linker naar mijn rechterschouder. Het duivelinnetje giechelt, en al snel glijden ze samen van mijn rug af naar beneden.
~~~
De volgende dag zit ik nog te zwoegen op de niertransplantatie. Ik heb net allerlei medische termen opgezocht als ik mijn duiveltje omhoog voel klimmen. ‘Hee, ben je weer alleen?’
‘Ja,’ zegt Tony opgewekt, ‘even was ze leuk. Erg leuk zelfs.’ Hij sluit een moment zijn oogjes. ‘Maar verder werk ik toch liever alleen.’
‘Dus ze komt niet meer terug?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘O jammer. Maar goed, het gaat me toch vooral om jou. Ik had haar al een naam gegeven, ik wilde haar So…’
Het duiveltje bijt me hard in mijn oor, en sist: ‘Waag het niet! Voor wie zij liefheeft, wil ze heten. En. Dat. Ben. Jij. Niet!’ Hij laat zich weer omlaag glijden. ‘EN NOEM ME GEEN TONY!’