Niels Lakeman vloekt binnensmonds.
Hij had heel graag met zijn dochtertje naar de Efteling gegaan.
Zodat zij haar vader ook eens wat beter zou leren kennen.
Nu heeft hij een mail dat er over vijf minuten een taxi voor de deur staat.
Een ingelast concert omdat een collega-band was uitgevallen.
Het vliegtuig van zijn eigen band vertrekt over een half uur.
Hij gooit een setje onderbroeken in zijn aftandse leren koffer.
De hardrocker ziet niet welke stapel met T-shirts hij pakt.
Alleen de bovenste, die roze is, laat hij nog snel op de grond vallen en schopt hij onder zijn bed.
Nog vier minuten.
De taxi laat weten er bijna te zijn.
Niels schuift het gordijn open, zodat hij de taxi kan zien aankomen.
Zijn dochter rijdt op een driewieler de slaapkamer in.
Hij pakt haar op en legt haar in de koffer naast zijn onderbroeken.
Even lachen ze samen.
“Ik zou je wel mee willen nemen maar….” Verder komt hij niet. Hij komt op een idee.
“Kom eens hier…”
Hij pakt haar speen uit haar mond en doet hem bij zijn spullen.
Na enige aarzeling trekt hij ook haar kindersokjes uit en stopt ze in zijn koffer.
“Ah, nu niet gaan huilen als ik bijna weg moet” sust Niels zijn dochter.
“Je hebt vast in je kamer nog wel een ander speentje”.
Zijn dochter geeft hem verontwaardigd een klap op zijn bovenbeen.
Niels stopt nog een doosje met plectrums in zijn koffer.
Een brede leren riem met een metalen doodshoofd aan de voorkant volgt.
“Misschien kan ik er beter nog één meenemen…”
De chauffeur appt dat hij over drie minuten voor de deur staat.
Niels gaat zijn kast na. Hij kan natuurlijk niet zonder zijn korset.
Het moet nog wel wat lijken.
Hij pakt een op maat gemaakte pruik.
De tweede kan hij niet vinden.
Zonder kan hij zich niet op straat vertonen en op het podium al helemaal niet.
Hij denkt gelijk aan zijn tondeuse.
Hij zal in zijn hotelkamer zijn hoofd maar helemaal kaal scheren.
Die paar grijze sprieten aan de zijkant stellen toch ook niets meer voor.
Deo, baby-olie, ibuprofen.
Hij aarzelt bij een doosje met condooms.
Vermoedelijk gaat dat toch niets meer worden.
Hij had nooit na zijn scheiding met zo’n jonge vrouw moeten trouwen.
Voorzichtig steekt hij zijn gebitsframe in zijn mond.
Hij voelt aan zijn gouden kies.
Geen zwembroek, hij kan toch niet zwemmen met die pruik.
God, zijn spijkerbroeken.
Niels heeft nog minder dan twee minuten.
Een plastic zakje met wat hasj.
Een bij elkaar geraapt boekwerkje met alle songteksten.
Dat oude werk gaat nog wel.
Maar bijna alle teksten van de afgelopen jaren kan hij niet meer onthouden.
Wat een vak.
Niels aarzelt bij zijn leren jasjes.
Er is er geen één waarvan hij nog de rits vastkrijgt.
Aan zijn gewicht kan het niet liggen.
Ze zijn gewoon te klein gekocht.
Beneden toetert de taxi dat hij is gearriveerd.
Niels ritst zijn koffer dicht en holt de trap af.
Beneden wacht zijn vrouw.
Ze houdt een prachtige rolkoffer in haar hand.
“Wat moet je met dat onding?” vraagt ze.
“Het concert” zegt Niels.
“Voor noodgevallen als deze hebben we altijd deze koffer al staan.
Die afspraak hadden we al eens een keer gemaakt.
Hij is van alle gemakken, informatie, kleding en de rest voorzien.”
Niels neemt de koffer over.
“O ja.”
De taxi toetert nogmaals.
Vluchtig geeft hij zijn vrouw een zoen.
“Als ik jou toch niet had.”
“Je gitaar” zegt ze. “Je paspoort, je sleutels en je telefoon.”
Hartstochtelijk kust Niels haar nogmaals.
"Tot over....." aarzelt hij.
"Aanstaande woensdag" glimlacht ze.
Leuk! Zou het bij die oude mannen van de Stones ook zo gaan? 😁 Dat één-zin-per-alinea werkt een beetje staccato, maar ik las het met veel plezier.