"Moet je plassen?" vroeg ik.
Lottes gezicht stond verkeerd op haar hoofd. Iemand had de juiste onderdelen gebruikt maar de verhoudingen fout gegokt: de ogen iets te dicht, de mond een centimeter te laag. Het jasje met de zilveren rits klopte. Het kind niet.
Ze knikte zoals Lotte knikte.
Ik stapte uit en liep om de auto en mijn benen werkten nog. Dat verbaasde me. Mijn benen deden het gewoon. Misschien zette ik mijn dochter vanochtend in het stoeltje en was ze later verwisseld, in Brussel toen ik ging plassen. Of het was al weken mijn dochter niet. Inge had ze omgeruild en het me niet verteld omdat ik het toch niet zou merken. Ik keek nooit goed naar dingen. Ik kon haar gezicht niet oproepen als ik mijn ogen sloot, alleen losse onderdelen: een knie met een korstje, het lachje, het dingetje met de tanden.
Ik tilde haar uit het stoeltje en ze sloeg haar armpjes om mijn nek en ik dacht: ik kan haar hier laten. Achter de bandenoppomper zetten en wegrijden. Iemand zal haar vinden en naar Inge brengen.
Bij het draaihek gaf ik haar een euro. "Dank je, papa." Lottes stem, afgemeten.
Ik wachtte terwijl mijn echte dochter ergens anders was, in een andere auto, met een andere vader.
Een man kwam buiten met een hijgend jongetje. Hij keek naar mij zoals mannen kijken naar mannen die alleen bij vrouwenwc's staan.
Ze kwam naar buiten en pakte mijn hand. Haar hand was te klein en plakkerig.
In de Spar pakte ik Capri-Sun, boter, brood in een plastic zak, een Bueno en een broodmes. Bij de kassa legde ik het mes op de stapel kauwgom.
De kassierster keek naar het mes op de kauwgom. Dan naar Lotte. Dan naar mij. "Bent u alleen met haar?"
Ik knikte.
"En de mama?"
"Die komt later."
Ze trok haar mondhoeken op naar het kind. “En jij?”
“Wat?”
“Is dat je papa?”
Lotte keek naar mij. “Ja.”
Het kind glimlachte op de manier dat kinderen glimlachen naar vreemde mevrouwen.
In de auto belde ik Inge. Voicemail. Met mij. Stuur eens een foto van Lotte. Eentje van vanochtend. Ik hing op.
Ze zong achter me. Een liedje van Samson & Gert dat alle kinderen zongen.
Ik reed en passeerde Luxemburg en Metz. Bij elk tankstation dacht ik: nu en reed door. Ik probeerde Inge twee keer. Voicemail. Bij Dijon belde ze terug. Ik liet hem rinkelen tot hij stopte. Een sms. Alles oké?
Ik typte ja en wiste het en typte wie is dit kind en wiste het en stuurde ja.
In de bergen werd het kind wakker. "Zijn we er bijna papa?" Ze stak haar hand tussen de stoelen door. Ik pakte die hand. Ik kneep. Ze kneep terug. Ik kneep harder. Ze bleef knijpen. Ik liet los en mijn vingers waren wit.
In de spiegel keek ze me aan.
Ik reed door.
—
Het dorp lag in de Cevennen, twintig kilometer van de hoofdweg, een huis dat een kennis van Inge ons had aangeboden voor een week. Steen, gietijzeren bedden, een kleine keuken. Het was elf uur 's avonds toen ik de auto voor de deur parkeerde. Ze sliep al een uur.
Ik tilde haar uit het stoeltje. Ze legde haar hoofd in mijn hals en ik droeg haar naar binnen. Ze rook naar slaap. Op de trap dacht ik: misschien is het toch Lotte. Misschien was de hele dag een hallucinatie.
Ik legde haar op het kleine bed in de bovenkamer. Trok haar jasje uit. Schoenen. Broek. Ze lag in een T-shirt en onderbroek. Haar borstkas ging op en neer. Ik dekte haar toe.
Bij de deur draaide ik me om. Het kind sliep. Slapend zien ze er allemaal hetzelfde uit.
Ik deed de deur op een kier.
—
Beneden, in de keuken, viel het me pas op: Inges koffer stond er niet. Niet dat hij er moest staan. Ze zou met de trein nakomen, twee dagen later. Dat was de afspraak. Maar terwijl ik in het lege huis stond, wist ik iets dat ik al weken had geweten zonder het toe te laten.
Ze kwam niet.
Niet over twee dagen. Nooit meer.
Ik ging zitten aan de keukentafel. De tweede slaapkamer. Ze sliep er sinds april, of ik sliep er, op de avonden dat ik na elf uur thuiskwam, ik wist niet meer wie van ons was begonnen. De spaarrekening die ze had opgedoekt omdat de rente ergens anders beter was. Ze had me laten kiezen waar we naartoe gingen, voor het eerst sinds jaren, en geknikt toen ik Cevennen zei, alsof het haar niet uitmaakte. En vandaag het kind, twaalf uur in de auto, alleen met mij.
Ik dacht aan Mila. Lottes klasgenoot. Dezelfde lengte, hetzelfde haar. Vorige maand hadden ze in de keuken samen prinsesjes gespeeld. Inge had foto's gemaakt en gezegd: “Ze lijken wel tweelingzusjes.” Ik had het amper gehoord.
Ik schoof de gedachte weg.
Het kind boven herinnerde zich dingen die alleen Lotte zou weten. Ze had vanmiddag in de auto iets gezegd over de lekkende kraan in onze badkamer.
Tenzij het was ingestudeerd. Tenzij Inge haar drie weken lang had geprepareerd. Papa. Dank je. Zijn we er bijna?
Ik stond op. Liep naar het keukenraam en keek naar buiten. De tuin was donker. Verderop, in het dorp, brandde één licht.
Mijn telefoon trilde op de tafel.
Ik vond je groene jas in de kast. Heb jij hem niet nodig?
Ik had geen groene jas. Ik legde de telefoon ondersteboven op tafel.
Het kind boven was Lotte niet.
—
Ik ging naar boven.
Het bed kraakte toen ik op de rand ging zitten. Ze sliep op haar zij, een arm onder haar wang. In het halflicht uit de gang zag ik haar gezicht.
Ik wist wat ik kon doen. Een test.
Lotte had een litteken op haar linkerknie. Vorig jaar gevallen op de speelplaats, een woensdag, de telefoon van de school, drie hechtingen bij de huisarts. Een litteken van anderhalve centimeter, iets boven de knieschijf, met aan de bovenkant een puntje waar de naald net niet recht was gegaan.
Ik tilde het dekbed op. Ze bewoog en zei iets in haar slaap. Ik wachtte. Ze bewoog niet meer. Ik trok haar been een fractie naar buiten om de knie te zien.
Het litteken was er. Anderhalve centimeter. Bovenaan een puntje.
Eén seconde voelde ik opluchting. Het was Lotte.
Toen kwam de tweede gedachte.
Natuurlijk had het een litteken. Anders was het werk niet af. Een echt litteken zou er anders uitzien. Dit klopte te goed.
Ik raakte het litteken aan met mijn duim. Voelde de richel. De huid eromheen was warm. Ik liet mijn hand op haar dijbeen liggen en voelde de spier eronder.
Ik dacht eraan haar wakker te maken en haar dingen te vragen die alleen Lotte kon weten. Maar elke vraag die ik bedacht, zou een goede kopie ook beantwoorden. Vraag haar de naam van haar lievelingsknuffel en ze zou Boris zeggen.
Ik wist niet meer hoe Lotte huilde. Ik kon me geen enkele huil van haar voor de geest halen. Maar ik zou het herkennen.
Eén sneetje maar, in haar arm, niet diep.
Daarna besefte ik wat ik aan het bedenken was.
Mijn hand lag nog op het dekbed, op de plek van haar knie. Ik voelde door de stof heen het kniegewricht.
Ze opende haar ogen. “Papa.” Lottes stem.
Ik zei: "Slaap maar." Het kwam eruit zonder dat ik het besloot.
Ze sloot haar ogen weer en pakte mijn hand. Ze trok hem omlaag. Legde hem tegen haar wang en bleef vasthouden.
Ik zat zo. Lang.
—
Beneden in de keuken pakte ik een mes uit de la.
Een gewoon keukenmes, vijftien centimeter, scherp. Ik hield het mes vast en mijn rug deed pijn van het rijden. Ik had honger maar niet naar eten.
Als het ding boven een kopie was, dan zou Inge morgen of overmorgen niet komen, en zou de week verstrijken en zou ik thuiskomen met iets wat geen Lotte was, en zou Inge weg zijn met de echte Lotte, en zou niemand me geloven. Het zou doorgaan met zich te gedragen als Lotte.
Tenzij ik het tegenhield.
Ik liep naar de trap.
Halverwege de trap bleef ik staan.
Ik dacht aan de volgende ochtend. Aan Inge die belt. Aan de gendarmerie die aanbelt.
Ik wachtte tot iets in mij zou beslissen.
Er besliste niets.
—
Mijn rechterdijbeen trilde. Het mes werd zwaarder. Ik hoorde haar boven omdraaien, het kraken van het bed, een zucht. Het werd licht buiten, een vuilgrijs dat door het raampje boven de voordeur naar binnen kwam.
Op een gegeven moment hing het mes naar beneden langs mijn dij en merkte ik dat ik moest plassen.
Ik liep naar beneden. Ik legde het mes op de keukentafel en zette de moka op het vuur. Hij begon te pruttelen.
Boven hoorde ik haar. Trede per trede, één been bijtrekkend. Ze kwam de keuken binnen in T-shirt en onderbroek, met de knuffel waarvan ik niet meer zeker wist of het Boris was of de namaak. Haar haar stond aan één kant plat. Op haar wang zat een rode plek waar ze op had gelegen.
"Papa," zei ze. "Ik heb honger."
Ik haalde brood uit de plastic zak. Ik smeerde er boter op en sneed het in vieren met het mes dat nog op tafel lag. Ik zette het samen met een beker melk voor haar neer.
Ze klom op de stoel naast me. Ze at.
Bij elke hap trok ze haar bovenlip op en duwde met haar tong tegen haar voortand.
Ze veegde haar boterige vingers af aan mijn broekspijp tussen happen door, gedachteloos.
Ze at en ik dacht: wie is dit. Ik weet niet of ik haar vandaag op het vliegtuig naar Inge zet of dat ik de week uitzit of dat ik haar over een uur weer in de auto leg en terugrijd naar Gent en aanbel bij Mila's ouders en het kind voor hun deur zet en wegrij.
Ze keek naar me met een mond vol brood.
"Papa," zei ze. "Eet je niet?"
Ik schudde mijn hoofd.
Ze haalde haar schouders op. Het was hetzelfde schouderophalen dat Inge deed. Ze leunde tegen mijn arm aan terwijl ze verder at. Ik voelde haar adem op de stof van mijn mouw. Klein en regelmatig.
Ze liet haar beker vallen. De melk spatte over haar benen en op de vloer. Even keek ze er alleen naar.
Toen begon ze te huilen, schokkerig, met kleine happen lucht tussen de klanken door.
“Waar is mama?”