
"Vijf minuten," zegt Bram. "Pak een koffer. We zeggen niet waarheen."
Ze staan in mijn woonkamer, met vijf. Het was vorig jaar in augustus, op een terras, na de vierde Duvel. Iemand zei: "Bij jouw vrijgezellen beslissen wíj alles," en ik zei dat dat goed was.
"Geef me een hint."
"Neem mee wat je nodig hebt."
"Wat heb ik nodig?"
"Vier minuten vijftig."
Ik ga naar boven. Ze komen mee. Wouter heeft zijn telefoon al horizontaal, wat nooit goed is. Het wordt een filmpje voor op de bruiloft, tussen de soep en het hoofdgerecht, met Lieze naast haar moeder.
De koffer ligt boven op de kast. Ik moet op de stoel staan die ik anders nooit gebruik, en terwijl ik daar sta met mijn rug naar hen toe, hoor ik Davy zeggen: "neem je zwembroek mee," en iemand lacht, en ik weet meteen dat de zwembroek een valstrik is. Als ik hem pak denken ze dat ik denk dat we naar zee gaan, en dan ben ik de man die dacht dat we naar zee gingen. Ik pak de zwembroek niet.
"Hij pakt z'n zwembroek niet," zegt Davy. "Hij dénkt."
Ik open de la. Onderbroeken zijn veilig. Er is geen bestemming op aarde waar onderbroeken een verkeerde gok zijn. Ik pak er een handvol.
"Kijk hem," zegt Bram. "Hij pakt twaalf onderbroeken."
"Het zijn er geen twaalf."
"Tel ze."
Ik tel ze niet. Als ik ze tel, sta ik hier op mijn eigen vrijgezellen mijn onderbroeken te tellen voor de camera, dus ik stop ze ongeteld in de koffer.
"Lieze vouwt die anders," zegt Davy. "In driehoekjes, als servetten, ik heb het gezien," Wouter richt zijn telefoon in mijn lade. "Als ze dát al doet met je onderbroeken." Hij zegt het en kijkt de kring rond, en de kamer vult de rest zelf in. Ik lach mee, want niet-meelachen betekent dat ik het verdedig.
"Vier minuten," zegt Bram.
Sokken. Als het koud is heb ik sokken nodig, als het warm is dunne, dus ik pak dikke en dunne, en op het moment dat ik beide in mijn hand heb zegt Davy: "hij pakt sokken voor élk klimaat," en de kamer lacht, en ik heb zonet toegegeven dat ik niet weet of ik naar de Noordpool of naar Spanje wordt gebracht.
"Neem condooms mee," zegt iemand achteraan, en het maakt niet uit wie, want het is voor de telefoon, niet tegen mij.
"Voor wíe?" vraagt Davy, en de stilte van een seconde te lang, waarin vijf man de mogelijkheid laten bestaan dat het antwoord niet Lieze is, om te zien wat mijn gezicht doet. Ik doe er niets mee.
En dan Sven, die in de deuropening staat met zijn armen over elkaar, zegt zacht: "Pak iets van haar in." Niemand lacht. Hij houdt zijn telefoon in zijn zak, want sommige dingen film je niet.
Ik open het laatje van haar kant en daar ligt het haarspeldje dat ze 's nachts uitdoet en op mijn nachtkastje legt en de volgende ochtend in haar haren steekt, al maanden een rood speldje, en ik pak het. Het weegt niets.
"Awwww," zegt Davy, en hij rekt het uit tot het geen genegenheid meer is, maar een geluid dat je maakt naar iets zieligs. "Hij pakt een haarspeldje. Hij neemt een stukje van het vrouwtje mee." Wouter zoomt in op mijn vingers, op de man van bijna veertig die een haarspeldje vasthoudt. "Schrijf maar op," zegt Davy. "Speldje. Voor de heimwee."
Ik leg het terug in haar laatje en schuif het dicht, kalm. Het kost me anderhalve seconde om weg te geven wat Sven me had aangereikt. Sven kijkt naar de grond.
"Drie minuten."
Ik sta voor mijn open kast. Pak ik een kostuum? Een man neemt een kostuum mee als er iets is om netjes voor te zijn. Maar als ik een kostuum pak en we gaan karten, ben ik de lul in het kostuum op de karts.
"Hij betast dat kostuum nu al een halve minuut," zegt Davy. "Vraag het ten huwelijk."
Ik laat het hangen.
"Twee minuten."
In paniek heb ik de lader van het scheerapparaat gepakt en niet die van de telefoon, en als ik dat merk, leg ik er de lader van de Ladyshave ook bij.
"Hij neemt háár scheermachine mee," zegt Davy.
"Een minuut."
Ik kijk de kamer rond. Er zat niets in die koffer dat naar Lieze verwijst. Het had gekunnen.
"Tijd," zegt Bram, en hij grist de koffer dicht voor ik er nog iets bij kan leggen. Hij tilt hem op, weegt hem in zijn hand. De rits zit niet helemaal dicht. Er steekt iets uit, een hoek stof, kanariegeel. Ik ken die kleur. Ik heb m'n zwembroek niet ingepakt, ik wéét dat ik geen kanariegele …
Davy heeft zijn handen in zijn zakken en kijkt naar mijn gezicht. Hij wacht tot ik iets zeg.
Ik zeg niets.