‘We moeten nu weg.’
‘Ja, ja.’
Hij trekt de koffer onder het bed vandaan. Het plan is eenvoudig: kleding, toiletspullen, medicijnen. Vijf minuten. Misschien zes als ze een beetje doorlopen.
In de gangkast ziet hij boven op de paraplu’s een plastic tasje met batterijen. Nieuwe én lege. Ooit heeft hij besloten ze uit te zoeken.
Hij stopt het tasje in de koffer.
Voor de zekerheid.
In de slaapkamer trekt hij een lade open. Onder de sokken liggen twee kaartjes.
Circus Herman Renz. 12 augustus 1993.
Hij weet niet meer met wie hij is geweest. Ingrid? Marja? De vrijheidsdressuur van de paarden zonder ruiters in de piste herinnert hij zich nog wel. Hij steekt de kaartjes in zijn jaszak.
De sokken blijven liggen.
‘Nog vier minuten!’ roept zijn vrouw.
‘Ik schiet al op!’
In de onderste lade vindt hij een sleutelbos met drie sleutels waarvan er twee nergens meer op passen. Hij heeft ze al vijftien jaar. De dag nadat je ze hebt weggegooid, denk je: verrek, de vitrinekast.
Mee.
Naast de sleutels ligt een stapeltje foto’s, samengehouden door een rood elastiek.
Groeten uit Valkenburg.
Zijn ouders staan naast een kabelbaan. Zijn vader draagt een korte broek en sandalen met witte sokken tot zijn knieën. Zijn moeder kijkt in de camera, zijn vader schuin omhoog naar de kabelbaan.
De foto’s gaan in de koffer.
In de badkamer pakt hij zijn toilettas. In een laatje van het onderkastje ligt een ongebruikt hotelzeepje.
Hotel De Zwaan, Giethoorn. Veertien dagen regen.
Mee.
In het medicijnkastje vindt hij een strip paracetamol uit 2014.
Hij leest de datum. Hij legt hem terug. Zelfs hij heeft grenzen.
‘Nog twee minuten!’
In de keuken opent hij de rommella.
Een Zeckenzange. Sinds die wandeling op de Veluwe gaat het ding mee op iedere vakantie. Ook naar Rome.
Een glaskrabber met de tekst Warning. Sharp blade.
Een rolmaatje als sleutelhanger. Honderd centimeter. Elk tiental rood. Presentje bij 7 rollen behang.
Mee.
Hij klapt de koffer open.
Batterijen. Sleutels. Foto’s. Hotelzeep. Zeckenzange. Glaskrabber. Rolmaatje.
Geen ondergoed. Geen broeken. Geen tandenborstel.
‘Laatste minuut!’
Op de vensterbank ligt een gladde steen. ‘Voor opa’ staat erop. De drie o’s zijn hartjes. Hij pakt hem op en legt hem in de koffer.
Zijn vrouw komt binnen met haar roze rolkoffer. De sticker ‘THIS suitcase belongs TO Ingrid’ krult op aan de hoeken.
‘We moeten echt gaan.’
‘Ik ben klaar.’
Ze kijkt in zijn zo goed als lege koffer.
‘Waar zijn je spullen?’
‘Hier.’
‘Je hebt geen kleren ingepakt.’
‘Winkels genoeg daar.’
Hij trekt de rits dicht. Een van de wieltjes piept terwijl hij de koffer achter zich aan trekt.
Op de stoep blijft hij staan.
‘Wacht even.’
Zijn vrouw sluit haar ogen.
‘Wat nu weer?’
‘Mijn leesbril.’
‘Die zit op je hoofd.’
‘O.’
Na tien passen blijft zijn vrouw staan.
‘Henk!’
‘Wat?’
Ze wijst naar zijn voeten. Hij kijkt omlaag. De geruite pantoffels steken onder zijn broekspijpen uit.
‘Die lopen eigenlijk best lekker,’ zegt hij.
Zijn vrouw schudt haar hoofd.
Hij trekt de koffer achter zich aan.
‘Kom.’