
Binnen in zijn hoofd bonken ze op zijn slapen. Hij wrijft over zijn hoofd. Wat een afschuwelijke kater. Dan realiseert hij zich dat het bonken niet van binnen, maar van buiten komt. Van buiten de kamer zelfs.
Met moeite tilt hij zijn hoofd op. Hij ligt volkomen uitgespreid in het midden van het bed. Dat het bed zo groot is was hem niet eerder opgevallen. Hij rolt uit bed en strompelt naar de deur.
‘Wat is er?’
‘Housekeeping. U heeft geen kaartje opgehangen.’
Een schoonmaker?
‘Hoe laat is het?’
‘Elf uur, meneer.’
Hij schrikt wakker, vloekt, en slaat de deur dicht. Hij moet over een half uur op het vliegveld zijn! Wat is er gisteren gebeurd? Is hij vergeten zijn wekker te zetten?
Hij rommelt zijn kast. Waar is die koffer? In zijn paniek wil hij drie dingen tegelijk doen en struikelt hij over de koffer die naast het bed staat. Auw. Hij ligt over de koffer heengevouwen. Aan de positieve kant: hij heeft zijn koffer gevonden.
De koffer wordt open op het bed gelegd. Hij trekt de overhemden uit de kast en propt ze erin. Waarom is die koffer opeens zo klein? Maakt ook niet uit. Hij loopt door naar de badkamer en pakt zijn deo, zijn geurtje en zijn…
Onderzoekend staart hij naar de elektrische tandenborstel. Deze is niet van mij. De borstelkop ziet er precies zo uit als zijn tandenborstel. Behalve dat deze elektrisch is. Hij loopt de kamer in. Op het bed ligt een rood koffertje. Hij had een bruine koffer. Hij neemt een van de hemden. Dit is niet zijn hemd. Hij kijkt rond. Dit is niet zijn kamer. Toch voelt het heel vertrouwd, als een soort déja vu.
Geen tijd; hij gooit de tandenborstel in de koffer, pakt de keycard en sluit de deur achter zich. Hij moet naar het vliegtuig!
De gangen lijken eindeloos, allemaal hetzelfde en met identieke deuren. De kamers erachter zullen ook allemaal hetzelfde zijn. Zoekend naar de uitgang, voelt hij in zijn binnenzak. Hij bevriest. Zijn paspoort. Hij heeft het niet. Hij slikt, wordt misselijk. Zou het in zijn kamer zijn? Zijn oog valt op een deur met een pictogram van een trap erboven. Hij trekt de deur open. Hij is op verdieping vijf. Snel beent hij de trap af, zwetend, en de koffer die onhandig de trap mee naar beneden komt met veel lawaai, dat echoot door het trappenhuis.
Een verdieping lager herkent hij de indeling. De deur naar zijn kamer is open: er staat een karretje van de schoonmakers. Hij sluipt naar binnen. Niemand. Al zijn spullen liggen er gelukkig nog. Het lijkt er niet op dat degene in wiens kamer hij wakker is geworden, hier overnacht heeft. Hij opent het laatje waar zijn paspoort zou moeten liggen. Niks. Hij vloekt binnensmonds. Dan ziet hij zijn vliegtuigticket liggen. Oh ja. Die had hij ook niet. Hij grist de paperassen weg en propt ze in zijn binnenzak.
Hij kijkt op zijn telefoon. De tijd dringt. Snel loopt hij de kamer uit. In het trappenhuis stopt hij. Denkt na. Hij bukt om de koffer te doorzoeken. In een zijvakje vindt hij wat papieren. En een paspoort. Het paspoort bestuderend, valt hem iets vreemds op. Hij lijkt als twee druppels water op de man op de foto. Als hij zijn snor liet staan wás het zijn foto. Maar het is een ander persoon, met een andere naam. Veel tijd om erover na te denken heeft hij nu echter niet. Hij weet waar de lift is. Bij de lift drukt hij op de knop, de deur gaat direct open. Binnen drukt hij op ‘begane grond’ en ‘deur sluiten’.
Langzaam sluiten de deuren en even later zet de lift zich met een klein schokje in beweging. In de spiegel ziet hij zijn bleke gezicht en verwilderde blik. Het zweet loopt over zijn rug, zijn t-shirt is vochtig en plakt aan zijn lichaam. Zijn gedachten racen door zijn hoofd: Had hij verder nog iets van waarde in zijn kamer? Hij dacht het niet. De lift is nog steeds onderweg naar de begane grond. Hij springt even van het ene op het andere been.
Op het moment dat de deur opent gaat, sprint hij naar buiten. Hij gooit de keycard op de desk en is buiten. Hij zwaait. ‘Taxi!’
In de rij bij de check-in komt hij een beetje tot rust. Hij heeft het gered, op tijd. De taxichauffeur heeft nu een enorme fooi omdat hij niet op zijn wisselgeld heeft gewacht, maar soit. De man voor hem loopt door en nu mag hij ‘zijn’ paspoort laten zien. De man knikt vriendelijk, bestudeert de foto, kijkt hem aan met dichtgeknepen ogen. Daarna tikt de man op het toetsenbord van zijn computer. Nu kan hij opgelucht adem halen.
Een zorgelijk blik. De man kijkt hem aan. Twee bewakers staan voor hem. ‘Wilt u even meekomen.’
‘Maar, mijn vliegtuig,’ stribbelt hij tegen.
‘Het komt goed, meneer.’
Ze houden hem vast in een klein kamertje. Dan komt iemand van de politie binnen. Met het paspoort in zijn hand.
‘Is deze van u?’
Hij knikt. Wat kan hij anders doen?
‘Dat is niet zo slim hè. Je had kunnen weten dat je met dit paspoort het land niet uit zou komen. Maar dat heb je vaker met criminelen die iets hoger in de hiërarchie staan. Arrogant. Denken dat ze nooit gepakt gaan worden.’
Hij verstijft. Zijn hoofdpijn van vanmorgen is weer terug. Er komen flitsen van gisteravond terug. Een kroeg. Een rondje. Voor mijn goede vriend. Voor de moeite. Welke moeite? Een gezicht. Alsof hij in een mistige spiegel keek. Alsof hij medeplichtig is. Nu weet hij waar zijn paspoort is. Even later wordt hij geboeid achter in een krappe politieauto gestopt.