Ik trek mijn ziekenhuisband recht. 14:47. Bas is twee minuten te laat.
De band is van wit plastic, het soort dat rood wordt als je er te lang aan trekt. Mijn naam staat erop in blokletters. INGRID DEMEESTER.
"Ingrid, je bezoek is er," zegt Mariska. Stem te hoog, glimlach te breed. Vijftien jaar ervaring in het verzachten van sterven. Ze legt haar hand even op mijn arm terwijl ze het zegt - dat gebaar van iemand die geleerd heeft wanneer ze dat moet doen.
Bas staat in de deuropening. Vergeet-mij-nietjes in zijn linkerhand, paars en blauw, al een beetje slap van de warmte buiten. Hij heeft ze in cellofaan gewikkeld, maar het cellofaan is al nat van condens. Hij staat er maar, mijn man van drieëntwintig jaar, en kijkt naar de kamer zoals mensen kijken naar een kamer die ze niet willen betreden.
Twee minuten en twaalf seconden voordat hij spreekt.
"Hoi liefje."
"Bas."
Mijn stomazak maakt dat geluid. Hij krimpt ineen.
"Leuk dat je probeert niet naar mijn buik te staren."
"Hoe voel je je?"
"Rottend. Van binnen naar buiten." Ik trek mijn band recht. "Net als ons huwelijk, maar dan sneller."
Hij loopt naar het nachtkastje. Bloemen op het metaal. Geluid van plastic dat schuurt. Hij kijkt naar zijn handen terwijl hij het cellofaan ontvouwt, trekt een la open en haalt er een vaasje uit dat niet voor bloemen bedoeld is maar dienst zal moeten doen. Het water uit de wastafel. Bloemen erin. Hij werkt precies en stil, als iemand die een taak uitvoert waarvoor hij zich heeft voorbereid.
"Ik dacht misschien kunnen we…"
"Bas." Band recht. "Wil je weten waarom Sophie jouw ogen heeft en Willem die van mij?"
Zijn rug verstijft. Hij houdt op met aan de bloemen morrelen.
Stilte. Dertien seconden.
"Of wil je praten over vergeving en vrede sluiten?"
"Ingrid, je bent ziek. Je bent jezelf niet."
"Ik ben precies mezelf. Voor het eerst in twintig jaar."
Ik vertel hem over Michiel. Over hoe zijn broer altijd al te lang keek als hij dacht dat niemand het zag. Over hoe het begon op die zomervakantie in 2003 toen Bas een week weg was voor zijn werk en Michiel langskwam met een fles witte wijn en het raam openstond omdat het zo warm was. Ik vertel hem alles, nauwkeurig en in volgorde.
Dan de postbode. Dan de naam die hij niet kent, de naam van iemand van het werk, iemand die hij nooit heeft ontmoet.
Bij elke naam wordt hij witter. Porselein-wit eerst. Dan iets dat dieper gaat - een soort leegheid die in zijn gezicht trekt, alsof alles erachter wegzakt.
"Ga weg, Bas. En neem je lelijke bloemen mee."
Hij pakt de bloemen niet. Hij loopt naar de deur en staat er even, zijn hand op de deurknop. Maar hij doet de deur dicht en zijn voetstappen sterven weg in de gang.
15:34. Zevenveertig minuten om een huwelijk definitief kapot te maken.
Het plafond heeft 127 gaatjes in de geluidsisolatie. Ik tel ze elke ochtend, rechtsboven beginnen en rij voor rij naar links, dan de volgende rij. Het duurt precies veertien minuten als ik het rustig doe. Vandaag zijn het er nog steeds 127.
Wat we deden heeft geen naam. Geen diagnose, geen protocol. Het begon met Marcels vrouw.
Ik zag het zelf - een donderdagmiddag, drie weken na mijn opname, de gang van de derde verdieping. Marcels vrouw Leen was langsgekomen met een doos soepkoekjes en een gebreide trui die ze zelf had gemaakt, en ze liep door de gang naar de uitgang in haar dunne jas. Het was februari. Buiten waaide het. Ik keek toe vanuit de doorgang van de recreatieruimte terwijl Marcel haar nakeek, en ik zag zijn gezicht.
Niet van verdriet. Van opluchting. De blik van een man die genoot van wat hij vernietigde.
Ik ben naar hem toe gelopen en heb gezegd: je weet dat ze kou zal vatten.
En hij zei: ja.
En we keken allebei hoe ze door de glazen deuren verdween.
Het begon zo.
"Dat was wreed," zegt Joke nu. Ze zit naast me in de recreatieruimte, in de stoel rechts van het raam. Op tv wint een vrouw een keuken. Joke wast haar handen aan een denkbeeldige handdoek. Vijfde keer vandaag - ik tel het automatisch, net als de gaatjes, net als de seconden. Ze doet het met methodische aandacht, palm tegen palm, vingers tussen vingers, de naden van haar knokkels.
"Moet jij zeggen. Heb jij je dochter al gebeld?"
"Vanmorgen. 9:23 tot 9:31."
"En?"
Ze stopt even met wassen. "Ik heb haar verteld dat ik haar haat omdat ze op haar vader lijkt."
"Wat zei ze?"
"Dat ze me ook haat, maar dan omdat ik nooit thuis was." Joke wast haar handen weer. Langzamer nu. "Ze heeft gelijk."
Op tv lacht de vrouw die een keuken heeft gewonnen. Ze klemt haar hand voor haar mond. Ze huilt. De studiolichten maken alles felgeel. Het publiek applaudisseert.
"Vertel me over het ergste wat je ooit hebt gedaan," zeg ik.
Joke kijkt naar haar handen. "Ze was zeven. Sofie. Ze had haar eerste roldansen en ik was er niet bij. Ik had een vergadering in Amsterdam. Die vergadering was niet noodzakelijk - ik had kunnen zeggen dat ik weg moest, maar dan had ik misschien de promotie niet gekregen." Ze pauzeert. "Ik heb de promotie gekregen."
"Maar?"
"Ze bewaart het programmaboekje van dat optreden nog. Met haar naam erin, gedrukt in dat kleine, goedkope lettertype. Ze heeft het me eens laten zien. Ik deed alsof ik het niet herkende."
Op tv viert iemand iets. Ik kijk naar het scherm. Denk aan woensdag. Aan een vork die niet neerlegt wordt.
"Marcel bekende gisteren dat hij met dertien hoeren sliep," zeg ik.
"Aan wie?"
"Zijn vrouw. Ze was op bezoek. Het duurde elf minuten." Ik had het zelf gehoord, door de dunne wand. Marcels vlakke stem die namen en jaartallen noemde. Geen verwijt in zijn toon, geen verontschuldiging — alleen de feiten, nauwkeurig en volledig, zoals hij vroeger processen-verbaal dicteerde.
"Hoe reageerde ze?"
"Ze is niet meer teruggekomen."
Op tv valt iemand van een glijbaan. Het publiek lacht. Wij lachen ook. Het geluid kaatst tegen de muren alsof het ergens heen wil.
Mijn voetstappen klinken hol op het linoleum. Elke stap een seconde. Negenenzeventig stappen naar Piets kamer.
Piet heeft een hoekje bij het raam — zijn bureau staat schuin zodat hij zowel naar buiten als naar de deur kan kijken. Zijn pen maakt krassende geluiden op het papier. Lange, regelmatige halen.
Ik had zijn deur op een kier gevonden en hem zo zien zitten - zijn hoofd iets gebogen, zijn hand precies en beheerst.
"Wat ben je aan het maken, Piet?"
Hij kijkt niet op. Zijn pen krast verder. "Pagina 34," zegt hij. "Over de zachte, witte huid in de knieholte van Liesbeth Verstraeten, derde leerjaar, 1992. En hoe ik me veertig minuten lang voorstelde hoe het zou voelen om daar met de punt van mijn passer in te drukken. Heel langzaam."
Hij slaat de bladzijde om.
"Bekentenissen, beste Ingrid. Zeer gedetailleerde bekentenissen over veertig jaar fantaseren."
Ik ga op de stoel bij de deur zitten. De stoel die er staat voor bezoekers, waar nooit iemand zit. "Heb je het ooit gedaan?"
"Nee." Hij schrijft door. "Dat maakt het erger, vind ik. Als ik het had gedaan, zouden ze me hebben opgesloten. Dan had de maatschappij iets met me gedaan. Nu heeft niemand ooit iets geweten."
"Behalve jij."
"Behalve ik." Hij houdt op met schrijven en kijkt op. Zijn ogen zijn lichtblauw, bijna grijs. "Ik ben een voortreffelijk onderwijzer geweest, Ingrid. Mijn leerlingen hielden van mij. Hun ouders vertrouwden me. Ik heb nooit, in veertig jaar, één kind ook maar aangeraakt." Hij legt zijn pen neer. "En ik vraag me elke dag af of dat een verdienste is of gewoon een gebrek aan moed."
Marcel schuifelt voorbij. Trekt zijn pyjamajasje recht. Militair precies. Zelfs stervend een soldaat.
"Marcel," zeg ik. "Vertel eens over de ergste arrestatie."
Hij stopt in de deuropening. "Dertienjarig Marokkaans ventje. Fiets gestolen. Tweedehands fiets, opgeknapt, waarschijnlijk het enige wat hij had. Drie uur in een cel waar iemand had overgegeven. We zijn vergeten hem te zeggen dat hij zijn ouders mocht bellen."
"Vergeten?"
"Vergeten." Hij trekt zijn jasje recht. "Waarom?"
"Omdat het kon." Jasje recht. "Omdat macht lekker voelt als je jong bent en net je uniform hebt gekregen en er iemand tegenover je zit die niets kan doen." Hij kijkt naar Piet. "Jij begrijpt dat wel."
Piet knikt. "Ja. Precies zo voelde het om voor een klas te staan. Alle macht. Alle mogelijkheden om te vernietigen."
"Maar je deed het niet," zeg ik.
"Nee. Te laf. Daarom haat ik mezelf meer dan hen."
Buiten is het bewolkt. Een verpleegster loopt voorbij in de gang. Piets pen ligt op het bureau, klaar om verder te gaan.
Mijn telefoon gaat. Sophie. 16:17.
Ik laat hem twee keer overgaan voor ik opneem.
"Mama, papa vertelde wat je zei. Je bent in de war door de medicijnen."
"Sophie." Band recht. "Wil je weten wie je echte vader is?"
"Mama, stop."
"Het was niet Rick. Die dacht je zeker? Of niemand in het bijzonder?" Stilte aan haar kant. Achtergrondgeluid — ze is buiten, de wind maakt ruis op de lijn. "Het was Michiel. Papa's broer."
"Je liegt."
"Bel hem. Hij zal niet durven ontkennen. Niet tegen jou."
"En Willem?"
"Dat was de postbode. Die lieve meneer Henk die altijd zo aardig tegen je was."
"Mama…"
"En het ergste? Ik weet niet eens zeker of het waar is. Misschien verzin ik het gewoon om je pijn te doen."
Ze hangt op. 16:23. Zes minuten om een dochter te vernietigen.
Ik staar naar het plafond. Tel de gaatjes. Nog steeds 127. Alles blijft zichzelf.
Joke werkt soms in de tuin van het ziekenhuis — er is een terrasje aan de achterkant waar patiënten mogen zitten als het goed weer is. Ze zit er op donderdag altijd, haar handen gevouwen in haar schoot, haar gezicht naar de zon ook als de zon er niet is.
Op een donderdag zat haar dochter er ook. Ik zag het vanuit het raam van de recreatieruimte - Sofie, negentien, klein en smal. Ze hadden samen koffie. Ze spraken niet veel. Sofie had een boek bij zich maar dat lag dicht op tafel. Joke hield haar handen stil.
Ik vroeg Joke er later naar.
"Ze vertelde me over haar stage," zei Joke. "Ze doet grafisch ontwerp. Ze heeft een logo ontworpen voor een klein bedrijfje in Gent. Ze was er trots op."
"En jij?"
"Ik heb gezegd dat het mooi was. En dat ze haar mouwen omlaag moest doen want ze had koude armen." Ze zweeg even. "Ze heeft geen koude armen gehad."
Ze begon haar handen te wassen. "Ik had die stage nooit gezien als ik thuis was geweest. Ze had het me niet eens verteld — ik vond het via haar Instagram."
Ik zei niets.
"Mijn dochter staat op Instagram met vreemden die haar werk zien, maar niet met mij." Ze waste haar handen grondig.
"We moeten stoppen," zegt Joke nu. Ze zit op mijn bed. Handen zo rood van het wassen dat het pijn doet om naar te kijken — het gewricht van haar rechterpink is gebarsten, er zit een klein straaltje bloed in de plooi.
"Waarmee?"
"Dit. Wat we doen."
Band recht. "We vertellen gewoon de waarheid."
"Mijn dochter is gisteren naar de spoed gebracht. Paniekaanval. Duurde vier uur voordat ze weer kon ademhalen." Ze kijkt naar haar handen. "Vier uur kon ze niet ademhalen, Ingrid."
"En?"
"Ze is negentien. Negentien."
"Ik was ook negentien toen mijn moeder me vertelde dat ik een vergissing was."
Joke kijkt op. "Wat deed je toen?"
"Niets." Ik trek mijn band recht. "Ik heb er vijfendertig jaar mee geleefd."
"Je bent een monster."
"Wij zijn monsters." Band recht. "Het verschil is dat jij dat nu pas ontdekt."
Marcel komt binnen. Jasje perfect recht. "Jullie hebben bezoek. Directie. Families. Vergaderzaal. Nu."
De vergaderzaal ruikt naar Dettol en wanhoop. Dokter Stevens zit vooraan. Perfect gestreken witte jas. Achter haar, op een rij stoelen tegen de muur, een psycholoog die ik nog nooit heb gezien, een maatschappelijk werker met een blocnote. Onze families in een halve cirkel.
Bas. Marcels vrouw Leen — ze zit in de stoel het verst van Marcel, haar handen gevouwen op haar knieën. Jokes broer, een grote man met het gezicht van iemand die gewend is situaties op te lossen. Sophie naast Bas, haar handen in haar schoot. Ze kijkt naar haar knieën.
Piet zit het verst naar rechts. Hij heeft zijn schrift bij zich. Hij schrijft niet. Hij houdt het alleen vast.
"We maken ons zorgen," zegt Stevens. "Jullie gedrag de afgelopen weken is verontrustend."
"Voor wie?" Band recht.
"Voor iedereen. Jullie families. Andere patiënten. Het personeel."
"We gaan toch dood," zegt Marcel. "Wat maakt het uit?"
"Jullie beschadigen mensen," zegt Stevens.
"Mensen beschadigen zichzelf," zegt Piet. Lange, docenten-zinnen, helder en zonder versiering. "Wij weigeren alleen nog mee te doen aan de illusie dat het anders is."
Stevens kijkt naar ons. Ze vindt niets in haar protocol dat hierop past.
"Sophie." Band recht. "Kijk naar me."
Ze kijkt op. Michiels ogen in mijn mond - dat had ik nooit gezien voor ik het bedacht. Nu kan ik het niet meer onzien.
"Ben je blij dat je de waarheid weet?"
Ze begint te huilen. Niet luid - Sophie huilt altijd stil, ze heeft dat van zichzelf, dat naar binnen keren. Het geluid kaatst toch tegen de muren.
"Ze is blij," zeg ik tegen Stevens.
"Mama, alsjeblieft," fluistert Sophie.
"Wat? Alsjeblieft wat? Alsjeblieft doe alsof? Alsjeblieft sterf zoals een braaf mens hoort te sterven?"
Ze kijkt op. En dan schreeuwt ze. Niet luid, maar scherp.
"Ja," schreeuwt ze. "Ja, godverdomme, ja!"
Stilte. Vijfentwintig seconden. Ik tel ze.
Ik kijk naar haar gezicht. Ze is achttien. Ze heeft de hele zomer haar haar laten groeien.
Aan het einde van de rij legt Piet zijn schrift op tafel. Hij schuift het een stukje van zich af. Niet ver. Maar ver genoeg.
"Oké," zeg ik. Band recht. "Dan doe ik dat."
De nacht daarna slaap ik slecht. De pijn is de afgelopen weken anders geworden, dieper en minder nauwkeurig. Ik lig wakker en tel de gaatjes in het donker, waarbij ik weet dat ik ze niet kan zien maar ze toch tel.
Ik denk aan mijn moeder.
Ze heette Ria. Ze rookte filterloze sigaretten en ze had een hekel aan verspilling, en op mijn negentiende verjaardag - ik was thuis, we aten uitsmijters want het was een woensdag en op woensdag aten we altijd uitsmijters - zei ze dat ze had gevraagd of ik mocht komen, en dat ze eigenlijk had gehoopt dat het antwoord nee zou zijn. Ze zei het tussen twee happen door, zonder haar vork neer te leggen.
Ik heb er nooit met iemand over gesproken. Niet met Bas, niet met een vriendin, niet met een therapeut.
Ze is tien jaar geleden gestorven. Ik ben naar de begrafenis gegaan en ik heb gehuild, oprecht, en ik heb tot op de dag van vandaag niet begrepen waarom.
06:43. 127 gaatjes in het plafond. Marcel komt binnen.
Hij klopt eerst — dat doet hij altijd, zelfs als de deur op een kier staat.
"Je hebt het gedaan."
"Wat?" Band recht.
"Gestopt."
"Ja."
"Waarom?"
Stomazak. Dat geluid, zwakker dan een week geleden. "Omdat ze gelijk had."
"Waarover?"
"Dat ik een monster ben. En monsters horen te verdwijnen in stilte."
Marcel gaat zitten. Hij kijkt naar de vergeet-mij-nietjes op het nachtkastje - Bas heeft ze toch laten staan. Ze staan er nog, een beetje slapper nu maar nog niet dood. "Denk je dat het helpt?"
"Wat?"
"Lief doen. De laatste weken."
"Nee." Band recht. "Ze zullen me nog steeds haten. Maar nu kunnen ze doen alsof."
"Is dat beter?"
"Voor hen wel."
Stilte. Voetstappen in de gang. Iemand loopt voorbij. Drieënveertig stappen voor hij voorbij is.
"Marcel?"
"Ja?" Jasje recht.
"Als je kon kiezen. Opnieuw leven maar dan eerlijk vanaf het begin. Of sterven als een leugenaar maar iedereen gelukkig laten?"
Hij kijkt me aan. Nog steeds die politie-ogen, gewend aan het zoeken naar schuld in gezichten. Hij haalt een papiertje uit de binnenzak van zijn jasje. Gevouwen, vergeeld, de vouwen zo diep dat het bijna gescheurd is.
Hij vouwt het open.
"1987: Ja schat, overwerk. 1993: Natuurlijk vind ik je moeder aardig. 1998: Die parfum? Van een collega. 2001: Ik ben gelukkig. 2005: Jij bent de enige. 2011: Ik hou van je. 2019: Het komt goed met ons."
Hij vouwt het op. Zijn vingers zijn precies.
"Zeven leugens. Zevenendertig jaar."
"Waarom bewaar je die lijst?"
Marcel staat op. Hij trekt zijn jasje recht. "Om te onthouden dat ik het had kunnen zeggen. Elke keer."
Zeven stappen naar de deur. Hij is altijd precies zeven stappen van de deur.
Piet sterft op een vrijdagochtend. Ik hoor het van Mariska.
Ze hebben zijn kamer leeggehaald in één middag. Het bureau is weg. De pen is weg. Zijn schriften - twaalf had hij me verteld - liggen ergens in een la, of in een kast, of misschien zijn ze al weg.
Sophie komt terug. Drie dagen voor ik sterf. Ze brengt chocolade mee. Het merk van voor mijn dieet. Voor de kanker. Voor alles.
"Mama?"
"Ja?" Band recht.
Ze gaat zitten. Ze heeft haar haar opgestoken — een knot, snel gedaan, een paar lokken los.
"Ik heb met nonkel Michiel gepraat."
Mijn maag kantelt. "En?"
"Hij ontkende het."
"Sophie…"
"Maar hij werd rood. En hij vroeg hoe ik het wist. Alleen schuldigen vragen dat." Ze legt de chocolade op het nachtkastje naast de vergeet-mij-nietjes. "Ik heb hem gezegd dat ik het niet zeker weet. Dat jij het misschien hebt verzonden. Maar dat het niet uitmaakt."
"Waarom niet?"
"Omdat hij ook had kunnen zeggen: wat een onzin, hoe kom je daarbij. In plaats daarvan vroeg hij hoe ik het wist."
"Het spijt me."
"Nee, dat doet het niet."
Ze heeft gelijk. Het spijt me niet. Ik ben alleen moe. Tellen maakt me moe - gaatjes, seconden, stappen.
"Mag ik je iets vragen?" zegt ze.
"Natuurlijk."
Ze vouwt haar handen in haar schoot. Hetzelfde gebaar als Bas. "Als je eerlijk bent. Helemaal eerlijk. Hield je van mij?"
Ik kijk naar haar. Achttien jaar oud. Mooi op een manier die pijn doet.
"Nee," zeg ik. Band recht. "Niet op de manier zoals moeders horen te houden van hun kinderen."
Ze knikt. "Dank je."
"Voor wat?"
"Voor het niet liegen. Deze keer."
Ze pakt mijn hand. Vingers warm. Levend. De klok op de muur tikt.
"Ik hield ook niet van jou," zegt ze. "Niet echt. Ik probeerde het. Ik heb hele jaren geprobeerd iets te voelen wat ik in films zag. Dat kon ik niet."
"Dat weet ik."
"Maar nu wel. Een beetje."
"Waarom?"
"Omdat je eindelijk echt bent."
Ze staat op om te gaan. Ze doet haar jas aan, trekt hem recht. Een stilte. Lang genoeg om een leven in te overdenken als je dat nog wilde.
"Sophie?" zeg ik. Mijn stem is een scherf van iets dat heel was.
"Ja?"
"Je hoeft er niet te zijn. Bij het einde."
Ze kijkt me niet aan, maar ik zie haar schouders een millimeter ontspannen. Ze knikt, één keer. Dan loopt ze de kamer uit, zonder om te kijken.
De vergeet-mij-nietjes staan nog op het nachtkastje. Ze zijn paars en droog nu, maar ze zijn er nog.
07:23. Ik sterf op een dinsdag. Marcel is er. Jasje perfect recht. Joke ook. Handen eindelijk stil - haar handen liggen gewoon in haar schoot, roze en gebarsten en stil.
Piet is vorige week gestorven. Zijn bekentenissen liggen ergens. Veertig jaar haat op papier.
"Denk je dat we het goed hebben gedaan?" vraagt Joke.
"Wat?" Stomazak. Dat geluid wordt zwakker. Een geluid dat ik nu al jaren ken, dat ik dacht te haten en dat nu gewoon een deel van me is, als een naam.
"Stoppen. Met de waarheid."
Mijn adem wordt moeizaam. Tellen wordt moeizaam. "We hebben niets goed gedaan."
"Maar toch. Sophie is teruggekomen."
"Ja."
"Dan?"
"Dan niets." Mijn handen zoeken naar iets om recht te trekken, maar vinden niets meer. Geen band. Geen jasje. Mijn eigen vingers. "Joke. We zijn klootzakken. We zijn laf. We stellen niets voor. En dat is oké."
Marcel houdt mijn hand vast. Zijn vingers trillen.
"Weet je wat het ergste is?" fluister ik.
"Wat?"
"Dat ik nu ga sterven en denk dat ik iets heb geleerd."
"Wat dan?"
Ik denk aan mijn moeder. Aan haar filterloze sigaretten. Aan de uitsmijter die ze niet had opgelegd voor ze sprak. Aan hoe ik op die begrafenis heb gehuild en nooit heb begrepen waarom.
"Dat er geen verschil is tussen eerlijk zijn en wreed zijn," zeg ik.
Mijn ogen worden zwaar. Het licht wordt minder. Geen gaatjes meer om te tellen. Ergens in mijn borst beweegt iets — haar kleine hand die ooit mijn pink vasthield, op een dinsdag met regen. Ze was vier. We waren bij de Carrefour. Ze had me gevonden tussen de rekken met yoghurt en ze had mijn pink gepakt omdat ik er was.
Ik was er die dag.
"Ingrid?" Joke's stem van ver weg.
"Ja?"
"Wat ga je zeggen? Als er iets is na dit?"
Ik glimlach. Mijn laatste leugen. De enige die ertoe doet.
"Dat het me spijt."
08:07. Vierenveertig minuten om te sterven. Ik heb de tijd niet meer om te tellen.
Het plafond heeft nog steeds 127 gaatjes.
Of 128.
Ik weet het niet meer.
Nu ik het teruglees, zitten er veel foutjes in, vandaar dus .... edoch deel ik het graag!