
Ik was acht jaar oud. Mijn vader en moeder hadden ruzie over waar ik moest slapen die avond. We stonden met z’n drieën in de woonkamer.
“Je neemt hem maar mee naar Ome Ko” schreeuwde mijn moeder.
“Het is ook jouw hoerenzoon, jij hebt mij met dat kind opgezadeld, dus jij zorgt maar voor onderdak” deed ze er nog een schepje bovenop.
Mijn vader liep op haar af, zijn hand in de lucht, klaar voor een aframmeling. Uiteindelijk deed hij het niet.
“Voor de ogen van de jongen zal ik je sparen” zei hij met iets van spijt in zijn stem. “Maar je houdt wat van mij tegoed.”
Pas later heb ik begrepen dat mijn moeder die avond in ons huis goede zaken kon doen en dat hij feitelijk zijn koopwaar niet wilde beschadigen.
Mijn vader liep naar mijn slaapkamer en pakte wat spulletjes.
“Je mag vanavond logeren” zei hij, terwijl hij mij dreigend aankeek. “Bij Ome Ko. Je gaat gewoon slapen en je blijft in je kamer.”
Toen hij zag dat ik wilde protesteren zei hij erbij: “En als je niet doet wat ik zeg krijg je een pak slaag dat je je nog lang zal heugen. Als dat nog niet helpt breek ik je al je botten.”
Ik wist dat het niet bij dreigementen zou blijven en slikte mijn woorden in.
Wat mijn vader precies voor werkzaamheden bij Ome Ko deed wist ik ook niet.
De uitbater had vier slaapkamers boven zijn café. Officieel voor gasten. Maar meestal werden ze gebruikt voor zaken die het daglicht niet konden velen.
“Ko, ik heb mijn jongen bij me” zei mijn vader in de regel. Hij noemde nooit mijn naam. “Je zult geen last van hem hebben.”
Ko knikte dan wat minzaam. “Doe hem maar in kamer vier” zei hij. “Dat bed moet toch nog worden verschoond.”
Dit tafereel speelde zich ook af op 27 augustus 1970. Wat ze niet wisten, was dat er die avond een grote politie-inval zou zijn die zich richtte tegen de georganiseerde misdaad in de stad.
Ik sliep nog niet toen ze met veel kabaal binnenvielen. Er klonken schoten en er was glasgerinkel. Er werd geschreeuwd, gevloekt. Ik hoorde onbekenden op de trap naar boven stampen. Ik vloog mijn bed uit om te gaan kijken wat er aan de hand was. Toen ik de deur open deed werd ik met een forse klap terug gesmeten, de kamer weer in. Er ging een enorme scherpe steek door mijn been. Ik kon niet meer opstaan. Het rook naar verbrand vlees. Het werd zwart voor mijn ogen. Een jonge man met zwaar wapentuig in zijn handen deed het licht aan en kwam voorzichtig mijn kamer binnen. Ik probeerde mij op te richten en zag zijn verbazing. Er vormde zich een behoorlijke plas bloed onder mijn been.
“Jezus Christus” hoorde ik de politieman ontzet vloeken. “Het is nog maar een jongen.”
Ik raakte buiten bewustzijn en kwam pas weer bij toen ik in een ambulance lag. Voor de zekerheid hadden ze een zuurstofmasker opgedaan. Met luide sirenes reden we op weg naar de dichtstbijzijnde operatietafel.
Ik werd na alle medische ingrepen uit huis geplaatst. Iemand van het maatschappelijk werk had mijn moeder er op gewezen dat mijn vader in de gevangenis zat, zijzelf betaalde bezigheden in de avond had en ik al langer te pas en te onpas mijn school wel eens miste. Dat was nog naast het feit dat ik was neergeschoten op één van de meest criminele plekken in de stad.
De vrouw vroeg of mijn moeder kon begrijpen dat het verstandiger zou zijn als ik, al dan niet tijdelijk, elders zou worden ondergebracht.
“Probeer zijn vader” zei mijn moeder. “Hij heeft zijn natje en zijn droogje. Een vaste verblijfplaats voor weinig. Misschien kunnen ze de opvreter weer leren lopen. Wat kan die jongen nog meer willen?”
Dat is eigenlijk het laatste wat ik ooit van haar heb gehoord of gezien.
Ik herstelde in een kindertehuis waar nonnen met een streng regime mijn ontwikkelingen in de gaten hielden. Er waren uitsluitend andere jonge kinderen die allemaal om de meest uiteenlopende redenen niet meer bij hun ouders konden wonen.
Ik probeerde mij aan te passen.
Na enkele maanden werd gevraagd of ik geen zin had om een kleine week in een recreatiepark door te brengen. Het was, zo liet de raadselachtige uitnodiging weten, een vakantie onder begeleiding van professionele opvang.
Het was midden in de Kerstvakantie.
De nonnen moeten hebben geweten wat er speelde en gaven er hun goedkeuring aan.
Ik zei ook “ja” want ik was nog nooit op vakantie geweest. Ik kreeg wat kleren in een koffer mee en ik mocht in de week van vertrek een nieuwe zwembroek kopen.
Een zuster bracht mij er met de trein naar toe.
Op het station werd ik opgevangen door twee mannen, een oudere en een wat jongere. De jongere kwam me vaag bekend voor maar ik wist niet meer waarvan. Hij werd, zoals ik het nu zou noemen, wat emotioneel toen hij mij op het perron zag naderen. De oudere man boog zich licht naar hem toe en sprak zachtjes met hem. Na enige tijd stelde de jonge man zich netjes voor. Hij gaf me een hand en zei: “Hallo mijn naam is Harm.” Hij slikte. “Ik ben erg blij dat je wilde komen.”
Het was de stem van “Jezus Christus” in de donkere kamer van toen.
Een kleine week deden we allerlei activiteiten die horen bij een recreatiepark. Binnen een dag deden we bijna alles samen. De andere man trok zich min of meer terug in de bungalow. ’s Avonds aten we patat met iets erbij. Soms gingen we naar het restaurant. We keken tv of deden een spelletje tot ik naar bed moest.
Ik had dit nog nooit meegemaakt.
We sliepen samen op één kamer. We hadden allebei een éénpersoonsbed.
“Ik wil er voor zorgen dat je niets overkomt” had Harm nadrukkelijk toegelicht.
Hij kwam altijd een uur later.
“Slaap je al?” fluisterde hij.
Ik schudde mijn hoofd. “Nog niet.”
“Je kunt rustig gaan slapen” antwoordde hij dan zo vertrouwelijk mogelijk.
De laatste avond bleef hij even stil. Uiteindelijk vroeg hij: “Droom je wel eens? Anders dan…”, hij aarzelde, “anders dan vroeger?”
“Ik droom…. gewoon, geloof ik” antwoordde ik.
Het bleef opnieuw stil.
“Geen dromen waar je soms wel eens bang voor wordt?” vroeg hij tenslotte.
Ik schudde mijn hoofd.
“Ik heb niets om bang voor te zijn” antwoordde ik naar waarheid.
Het was de meest vreemde maar ook mooie week die ik tot dan toe had meegemaakt in mijn leven. Op het station vroeg de zuster of alles was goed gegaan. Ik knikte. Harm gaf me een stevige omhelzing en zei dat hij mij graag nog weer eens wilde zien, als ik dat goed vond.