
Het tikt in het dak, boven het gebinte, metaal dat plaats zoekt. Het rolluik staat op een kier en in de kier beweegt geen blad.
Ik ben tweeëntwintig en woon weer thuis, op mijn oude zolderkamer. Mijn vader doet de vrijdagen bij Deceuninck. Sofie is zijn vriendin sinds de lente; ze scheelt minder met mij dan met hem. Beneden staan haar sandalen naast de zijne in de gang, en in de koelkast staat sinds mei een pot met iets van zaden die niemand eet behalve zij.
Ik ken haar namiddagen. Om twee uur de veranda, het boek op haar buik; tegen drieën de keukenkraan, open en weer dicht. Aan de wasdraad hangt haar gele jurk.
Om vier uur hoor ik de kraan van het bad. Ze laat het vollopen, koud; ik weet hoe ze erbij staat als ze wacht tot het vol is, ik heb het één keer gezien, de deur stond open. Het water zingt in de muur naast mijn bed en ik lig op dat bed met mijn onderarm over mijn ogen en mijn t-shirt in een prop op de grond, en ik luister tot de kraan dichtgaat.
Ik ga niet zeggen waar ik aan denk. Iedereen weet waar ik aan denk.
Mijn broek op mijn knieën. Het laken plakt aan mijn rug en in mijn knieholten staan plassen. Een vlieg komt telkens terug op dezelfde plek boven mijn wenkbrauw en ik laat hem. Door de muur hoor ik haar bewegen in het water, kleine geluiden, een elleboog tegen emaille, iets dat een zucht kan zijn of gewoon water, en ik pas mijn ritme aan alsof we iets samen doen.
Dan een plons.
Te vol. Een gewicht ineens, water dat over iets heen slaat, een golf die op de tegels kletst. De leidingen trillen na in de muur.
Dan niets meer.
Ik stop. Ik lig met mijn hand stil en tel. Bij twintig denk ik: ze is ondergedoken, tegen de hitte. Bij veertig denk ik aan opstaan, en aan de overloop, en aan hoe ik daar zou staan met mijn broek en mijn gezicht en alles eraan te zien. Bij zestig denk ik: als er iets was, had ze geroepen. Bij tachtig ben ik al teruggegaan naar het geluid van daarnet.
Het tikken in het dak gaat door. In de verte doet een hond iets twee keer en zwijgt.
De stilte helpt. Dat is de waarheid en ik zal ze nooit tegen iemand zeggen. Ik maak het af met haar naam in mijn mond, zorgvuldiger.
Ik lig nog even. Zo lang duurt dat niet, even liggen. Dan trek ik mijn broek op, zoek mijn t-shirt, doe het aan. Aan het lavabootje was ik mijn handen; uit de koude kraan komt lauw water en ik laat het lopen tot het koud wordt, en dat duurt.
Op de overloop is het koeler. De badkamerdeur is zoals altijd, wit, met de sleutel erop die nooit wordt omgedraaid.
'Sofie?' roep ik. Het klinkt goed, vind ik, als iemand die net wakker is.
Log in om te reageren
Sterk verhaal weer. Broeierig ;-), Niets wordt expliciet benoemd, maar alle beelden en gevoelens worden duidelijk opgeroepen. Het broeit. Ook tussen hen beiden. 'Iedereen weet waar ik aan denk.' is naar mijn mening overbodig. Ik zou zelfs zeggen, storend. 'Het klinkt goed, vind ik, als iemand die ...
'Het wordt volgens mij tijd dat je je gaat wijden aan een novelle of roman.' Ik zeg dat omdat je een onmiskenbare eigen stijl en stem hebt. Wars van conventies. Nooit geforceerd. Bij ieder verhaal proef ik de behoefte, de noodzaak, om te schrijven. De eigen, unieke, stijl. Het talent om te schrijv...
Broeierig, dat is het. Goed verteld alweer. Het laatste beetje tell kan er inderdaad nog uit, zoals Angus al aangaf - voor de perfectie 😊 👍