
Ik twijfelde.
Zelfs na de kilometers die ik achter me had.
Comfortabel, in mijn Jaguar.
Was het een opwelling die me tot hier had gedreven?
Ik sloot mijn ogen en zag weer de hare, het kastanjebruine haar, haar slanke lichaam, de uitdagende blik.
'Zo, op zoek naar de toekomst?'
Ik draaide me een kwartslag.
Een man in tweedelig pak waarvan de broekspijpen volgens de laatste mode te hoog boven zijn enkels eindigden, knipoogde en wees naar het koperen bord naast de deur.
'Niet doen gozer,' klonk het in gemaakt plat Amsterdams. 'Gabriëla is geen medium, ze is fake.'
'Net zoals je broek.'
Ik zag de aarzeling in zijn ogen, maar hij was alleen en had niets te bewijzen. Dus het bleef bij een opgestoken middelvinger.
Misschien was het uitstelgedrag. Ik keek hem lang na. Hij draaide zich nog een keer om en spuugde op de stoep.
Ik knipoogde. Meer voor mezelf dan naar hem.
Voordat mijn wijsvinger de knop van de bel bereikte, klonk er een zoemend geluid, de deur sprong uit het slot.
'Je bent er. Kom binnen.'
Het lampje van de deurbelcamera fonkelde.
Klein.
Uitdagend.
'Niet zo verbaasd kijken.'
Zelfs door de kleine speaker klonk haar lach warm. Vertrouwd.
Ik nam de tijde om de foto's te bekijken die de wanden van de hal bedekten.
Watervallen.
Gigantische bomen.
Witte stranden.
Koraalriffen.
Oerwouden.
Savannes.
Stonehenge.
De deur van haar werkkamer lag aan het eind.
Gesloten.
'Hier,' klonk het halverwege vanuit een kamer die alleen werd verlicht door kaarslicht afkomstig van twee grote zilveren kandelaars, prijkend op een lange antieke eikenhouten tafel en een wild haardvuur.
Ze zat tegenover de deuropening, droeg een avondjurk die bedoeld was voor een sterrenrestaurant en een glimlach die bedoeld was voor mij.
Ik keek haar aan met de deurklink in mijn hand, sloot de deur.
Ze spreidde haar hand uit naar de stoel tegenover haar.
Een glas rode wijn fonkelde.
We klonken de glazen, keken elkaar aan terwijl we een slok namen.
'Château Mouton Rothschild.'
'En niet minder,' antwoordde ze.
'Hoe wist je ...?' Ik onderbrak mezelf. Herstelde me. 'Daarnet. De voordeur? Je hoorde het gelul van die mafkees. Daardoor keek je naar de camera.'
'Denk je dat echt?'
Ze wist dat ik geen antwoord had.
Ze klopte drie keer hard op de tafel.
Achter me ging de deur open.
'We zijn er klaar voor, Eveline. Serveer maar.'
'Uitbuiken?'
Weer die glimlach.
Weer die ogen.
'Spaanse biefstuk.' Ik legde mijn bestek op het bord en leunde achterover. Zakte onderuit.
'Afzakkertje?'
Ik knikte loom.
Volgde haar.
Haar hakken tikten op de tegels.
Haar heupen wiegden.
Haar haar golfde.
De geur van haar parfum was bedwelmend.
De open haard spreidde zijn warmte uit.
We klonken weer.
Zij in haar fauteuil.
Ik in de mijne.
Dicht naast elkaar.
Whisky dit keer. Single Malt.
'Hoe wist je dat ik terug zou komen? Hoe weet je welke wijn mijn favoriet is? Hoe weet je dat ik van Spaanse biefstuk houd?'
Ze aarzelde.
'Je houdt het voor jezelf? Het blijft tussen ons?'
Haar ogen werden zacht. Kwetsbaar.
Ik stak mijn rechterhand omhoog, spreidde mijn wijs- en middelvinger.
Haar hoofd zakte. Ze zuchtte. Het tikken van de klok die boven de schouw hing, nam het over.
'En je gaat niet lachen? Ga alsjeblieft niet lachen.'
Ze staarde voor zich uit.
De vlammen vielen in het niets bij de blik in haar ogen. 'En het blijft tussen ons.'
'What happens in Amsterdam, stays in Amsterdam.'
'Serieus.'
'Sorry,' zei ik. 'Ik ben hier niet zo goed in.'
Ze knikte een paar keer, in zichzelf verzonken en keek in het niets.
'Mijn kietelaar,' gooide ze eruit.
Daarna stonden haar lippen strak. Verbeten. Haar ogen vernauwden zich tot iets donkers dat zich op mij richtte.
'Je...?' Ik reikte naar mijn glas, nam een slok en hield het daarna omhoog. Het haardvuur speelde een spel met het geslepen kristal.
'Vertel,' zei ik.
Haar lippen weken uiteen. Haar ogen werden vochtig. Ik dacht terug aan de dag waarop ik Reagan, mijn Doberman, uit het asiel had gehaald.
Ik voelde het bloed zijn weg zoeken toen ze door me heen leek te kijken.
Ze keek naar mijn kruis. In niet meer dan een flits.
'Hij was gevaarlijk.' Ze zuchtte. Zacht.
'Wie?' vroeg ik. Om zeker te zijn.
'Je hond.'
Nu durfde ik te lachen. Ingehouden. De verbazing voorbij. 'Niet voor mij. Hij was dankbaar. Toen ik hem zag, voelde ik zijn pijn. Ik zag het vuile hok waarin hij jaren zat. Ik hoorde het vloeken van de man die zich beschouwde als zijn eigenaar, zijn baas.'
'Waar voelde je het?'
Ik schudde mijn hoofd. Te heftig. Ze liet niet los.
Ze wees. 'Daar'.
In de open haard klonk een zachte knal. Een roodgloeiend stukje eikenhout had zich bevrijd en landde op de parketvloer.
We keken beiden zwijgend hoe het verkoolde en een zwarte vlek achterliet.
'Zo krijgt een vloer karakter.'
'Littekens,' beaamde ik.
'Leven.'
'Maar de uitleg?'
Ze stond op, reikte naar de karaf, vulde mijn glas en het hare. Ze draaide haar hoofd toen ze hoorde hoe ik de mengeling van haar parfum en haar geur geruisloos probeerde op te snuiven. Het puntje van haar tong danste kort over haar lippen.
'De uitleg,' begon ze nadat ze weer was gaan zitten.
'De uitleg. Ik kan het niet uitleggen. Het begint te trillen. Ik word nat. En dan raak ik in een soort extase en krijg beelden. Ik zie wat er nog niet is. Voor jou is dat anders. Maar toch wel herkenbaar? Voor een deel?'
Ze zag me luisteren naar het tikken van de klok.
'Iedere seconde is waardevol, Angus. Iedere seconde.'
'Bij mij is het anders. Ik voel het moment. En het verleden.'
'Zijn we dan geen match?' Weer richtte ze kort haar blik op de tegenpool van haar kracht.
Ik zuchtte. Diep.
Ze stond op, liep naar de deur.
Haar schoenen lagen voor de stoel.
Haar heupen wiegden, haar haren golfden.
Haar handen streelden de deurklink.
Ze draaide zich om.
'Het zijn zestien treden.'
Ik stond op, blies de kaarsen uit.