
Het is smeltend heet op deze zomerdag in juni. De gonzende hitte in de bus verspreidt geurdragende moleculen van transpiratie, heet geworden skai en dieselwalm: een potpourri nauseabundus. Tom zit achter in de bus om een goed overzicht te hebben op de in- en uitstappende reizigers. De weinige mensen die nog in de bus zijn, zitten allen voorin. Nog vijf haltes te gaan voordat ik thuis ben, denkt Tom, dan kan ik alvast mijn mail even checken, is dat al gedaan. Hij duikt zijn telefoon op uit zijn tas die onderuitgerugzakt naast hem op de bank ligt. Hij ziet dat hij een voicemailbericht heeft:
„Ja, hallo met mij, eh, ik wilde even naar de plantjes kijken want ja, met die hitte“ ...
Oh nee, niet alweer! verzucht Tom, ze kan het gewoon niet laten, hoe kom ik ooit weg van het alziende oog van een allescontrolerende moeder die, weliswaar goedbedoeld maar tot vervelens toe, maar niet kan stoppen met zorgen.
„Nou, zoals ik al dacht, die hingen dus op apegapen, maar goed, daar bel ik niet voor“...
Ook dat is moeder op haar best: altijd eerst dat niet ter zake doende intro, waarop de eigenlijke boodschap in crescendo zal volgen.
„Nou, dus, toen ik binnenkwam rook ik het al! als die vreselijke geur in de koelkast iets van jouw culinaire probeersels is, dan wil ik het niet weten. Het rook alsof het binnenkort pootjes zal krijgen ... bah toch!“
Moeder kennende zal het allemaal wel weer zwaar overtrokken zijn, denkt Tom. Hij scrolt nog even door zijn mails voordat hij zijn telefoon weer opbergt in zijn rugzak. Naar buiten starend, maar niets ziend, voedt hij zijn lichtelijke agitatie met overtuigend krachtvoer: inmiddels ben ik volgens de wet volwassen, heb ik stemrecht en volg, overigens niet onverdienstelijk, een universitaire studie, maar dat is voor mijn moeder allemaal niet voldoende om los te kunnen laten omdat ze simpelweg vanaf mijn basisschooltijd niet meer is meegegroeid. Zij heeft verschillende stadia in mijn wording gemist. Ik had gehoopt dat ik, door het verruilen van mijn ouderlijk huis voor een studentenkamer, verlost zou zijn van haar eeuwige gepamper. Niets blijkt minder waar.
De piepend en schurend remmende bus haalt Tom uit zijn mijmeringen, hier moet hij eruit. Hij loopt dwars door het parkje, dat aan de andere kant aan zijn straat grenst, naar huis. Hij voelt de banden van zijn rugzak aan zijn schouders trekken en de zon brandt, door de openingen in het bladerdak, in zijn nek. De lindebomen bloeien en verspreiden een weldadige relaxerende geur die hij tot aan zijn alveoli naar binnen zuigt om het nare busaroma kwijt te raken. Maar niet voor lang.
Al bij het openen van de voordeur wordt Tom geattaqueerd door een geur die nog het meeste weg heeft van een samenwerking tussen rottend ei, vergeten groenten en natte dweil. Hij gooit zijn rugzak op de bank en loopt in de richting waar de stank vandaan komt. De koelkast. Hij opent de deur voorzichtig alsof hij erop bedacht is dat er iets uit zal springen. En dat is ook zo: de vettige walm slaat al direct in zijn gezicht, en hij moet kokhalzen. Helemaal achterin verscholen ziet hij een Tupperwarebakje staan, dat moet de kwade genius zijn, denkt Tom. Hij sluit abrupt de koelkastdeur om even van dit olfactorische geweld te kunnen bijkomen. De recente, onvriendelijke gedachten over zijn moeder komen in herinnering en laten een plakkerig schuldgevoel achter dat zich vermengd met schaamte en langzaam terrein verovert in zijn gemoed. Soms hebben moeders gelijk. Dan kondigt een volgende piep een nieuw voicemailberichtje aan. Tom diept zijn telefoon uit de rugzak en luistert naar het bericht:
„Ja, sorry Tom, nog eens met mij, vergeet mijn vorige berichtje maar, want ik denk dat het de lasagne is die ik twee weken geleden heb gebracht, of is het al drie weken? nou ja eh, ik vergat het helemaal om het je te vertellen. Ik zal het vanzelfsprekend straks komen opruimen.“
Tom slaakt een diepe zucht...