
De man zat te wachten op de bus van toen over twee. Er stond een strakke wind en het tuimelkruid wentelde voorbij. Hij wachtte al sinds toen. Of sinds tien. Dat was tegenwoordig moeilijk uit elkaar te houden. Naast hem stond een woestijnvis. In de krant waarschuwde een breed uitgesmeerd artikel nochtans voor een woestijnvos.
Achter de man, in de verte lag een rits. Hij wierp een blok op de vis, maar die staarde naar omhoog alsof hij de zin uit de lucht wilde happen. De man slenterde naar de rits en trok ze met een ruk open. Een oude, gele schoolbus kwam toeterend uit het geopende blik en reed tot aan het hikje. Daar remde hij hard. Een wolk van zand vloog over de vis, die wild met zijn vinnen begon te flapperen.
De deur van de bus ging sissend open. ‘Wat doe je nu?’ riep de chauffeur. ‘Ik moet hier toch helemaal niet stippen!’
De man legde zijn handen op zijn roem, trok zijn broek omhoog en zonder iets te zeggen stapte hij op.
De vis glibberde mee de bus op. ‘Ik moet thuis zijn voor voer. Lukt dat?’ Er zat wat stof in zijn ogen, maar toen hij probeerde te knipperen, merkte hij dat hij geen oogleden had. ‘Giet eens wat water in mijn oog,’ zei hij tegen de man.
In zijn veldfles, die de man in zijn koffertje bewaarde, zaten nog een paar druppels, die hij uitgoot over de ogen van de vis.
‘Ik viel niets,’ zei de vis. Uit zijn kieuwen kwam een zeelucht.
‘Genoeg gezeverd,’ zei de chauffeur. ‘Ik begin aan de rot.’ De motor loeide hard toen hij het gaspedaal indrukte. De bus schoot vooruit, hobbelde over een paar stenen.
De man liep naar de achterbank, ging er met zijn knieën op zitten en met zijn hand boven zijn ogen keek hij strak naar buiten. ‘Ik dacht al dat ik iets hoorde,’ riep hij naar voren. ‘Je bent een paar mieren verloren.’
De woorden van de man hingen nog in de bus toen het rechterachterwiel los kwam. De bus kantelde en kwam schurend in het zand tot stilstand. Het wiel rolde verder tot tegen een ritsblik.
‘Zo kom ik nooit aan voor voer,’ verzuchtte de vis.
De chauffeur rilde met zijn ogen. ‘De rot stipt hier.’ Hij nam zijn boterhamdoos vanonder zijn stoel en begon te eten. Hij goot wat koffie uit zijn thermos in een kipje.
De man en de vis stapten uit en ze gingen en glibberden terug naar het bushikje. De man ging zitten waar hij zat en sloeg zijn krant open waar hij gebleven was. De vis stond rechtop op zijn staart en keek terug omhoog.
‘Zoek je de zin?’ vroeg de man aan de vis.
‘Nee, ik wacht op de maan.’
‘Hoezo?’ vroeg de man. Hij sloeg een blad van zijn krant om.
De vis keek hem met bestifte ogen aan. ‘Ik wil huilen naar de maan.’
De man liet zijn krant zakken en lachte luidop. ‘Vissen doen dat toch niet!’
De vis richtte zijn blik weer naar de zin. ‘Dat weet ik.’
Log in om te reageren
Gut, in de eerste zin al een tiepfout, dacht ik nog. Tot het kwartje viel... 😁 Geweldig leuk gedaan!