Op het eind van de lange gang knippert een tl-lamp. Rechts van mij schuifelt een oude man met een omzwachteld hoofd voorbij. Ik vraag hem hoe laat het is, maar hij kijkt mij nietszeggend aan. Het uurwerk rond zijn pols geeft half negen aan. Ik moet me haasten. Mijn schoenen piepen over het linoleum.
Links staat een deur half open. Uit de kamer klinkt een krakerige vrouwenstem. ‘Is daar iemand?’
Ik stap eerst door, maar stop dan toch.
‘Hallo?’ Haar stem slaat over.
Voorzichtig duw ik deur verder open en steek mijn hoofd om de hoek. De kamer is duister, op een nachtlampje na.
‘Kom binnen, jongen.’ Ze strekt een knokige arm naar mij uit.
‘Wil je dat ik een dokter voor je haal?’
Haar arm trilt en valt dan met een plof neer. Met één grote stap sta ik bij het bed. Haar pols is zwak.
‘Jongen.’ Haar troebele ogen schieten alle kanten op. Ze pakt mijn pols ook vast en trekt me dichter.
In gang passeert een verpleegster met een patiënt in een rolstoel. Ik wil ze roepen, maar de vrouw legt een vinger op mijn lippen. Met veel moeite tilt ze haar hoofd op. ‘Help mij even.’ Ze knikt met haar kin naar een medaille die rond haar nek hangt.
Ik hef het lint met de medaille over haar hoofd. Het is één of ander ereteken.
‘Dit is van jou, mijn zoon. Ik heb hem al die tijd bijgehouden.’ Ze schudt haar hoofd heen en weer.
‘Ik denk dat ... Dankjewel, mevrouw.’ Mijn ogen zoeken het knopje om hulp te roepen.
Haar hoofd stopt met schudden. Ze knijpt in mijn hand. ‘Jongen toch, kom dichter. Laat me je helpen.’
Met haar ellenbogen duwt ze zich wat hoger in het bed. Met beide handen hangt ze mij het lint om. De medaille drukt zwaar tegen mijn borst. Ze laat los en valt met een plof terug in het bed. Haar ademhaling stokt. Ik duw op de noodknop. Terwijl ik op hulp wacht, hou ik met één hand de hare vast, de andere ligt op de medaille.
Twee verpleegsters snellen de kamer in. Het grote licht schiet aan. Ik ga in de hoek van de kamer staan. Eén verpleegster legt twee vingers tegen de nek van de vrouw. De andere vraagt via haar telefoon om een dokter.
‘Laat maar,’ zegt de eerste. ‘Het is te laat.’ Ze sluit de oogleden van de vrouw.
‘Wel raar,’ zegt de tweede nadat ze de oproep geannuleerd heeft. ‘Die noodbel.’
De eerste komt naast mij staan, bij het raam. Ze schuift de lamellen open. In de verte brandt een gebouw. ‘Ik hoop dat het stil blijft vannacht,’ zegt ze.
Bij het verlaten van de kamer zegt de tweede: ‘Doe jij het licht uit?’
Net voor het licht uitgaat, valt mijn blik op een vergeelde foto naast het bed. Een jonge soldaat kijkt recht in de lens. Heel even denk ik mijn eigen gezicht te zien. Ik trek mijn uniform recht.
‘